Democratie en dictatuur in Europa
Door het oprukken van de autoritaire bewegingen in Oost-Europa liep ook de democratie in Westeuropese landen gevaar. Dat gevaar kwam van twee kanten. Aan de ene kant kreeg het communisme veel volgelingen onder arbeiders. Voor hen was de Russische revolutie het grote voorbeeld. Velen geloofden dat Rusland was veranderd in een arbeidersparadijs. Er was natuurlijk bloed gevloeid en er waren mensen in kampen beland, maar dat waren offers voor de goede zaak: voor de vestiging van het socialisme. In communistische kring was men ervan overtuigd dat de gruwelverhalen over de terreur van Lenin en Stalin leugenachtige propaganda was. Wie in Rusland, of de Sovjet-Unie zoals het land na 1922 ging heten, op bezoek ging, zag stelselmatig vrolijke boeren die broederlijk aan de appelenpluk waren. En in de machinefabrieken werd pas echt in het belang van het volk en de arbeidersklasse gewerkt. Van zuiveringen en deportaties wist men niets. En als men het al hoorde, werd het bestempeld als gruwelpropaganda. De communisten in West-Europa waren zelf niet zo revolutionair. Toen rond 1919/1920 duidelijk werd dat de communistische revolutie niet zou overslaan naar Europa, pasten ze zich aan aan de parlementaire democratie.
Aan de andere kant kwamen er ook autoritaire bewegingen op. In de jaren twintig en dertig leefden velen met het idee dat op een kwade dag een horde athestische bolsjewieken uit Rusland Europa zou overspoelen. Dat zou het einde betekenen van het privbezit, het huwelijk en het gezin, de godsdienst, ja van de christelijke beschaving. Had Lenin niet zelf gezegd dat zijn revolutie een wereldrevolutie moest worden? Daarom moest er krachtig worden opgetreden tegen het bolsjewistische gevaar, ook al zou de democratie eronder lijden.
Was er dan geen weerzin of verzet tegen het autoritaire en antidemocratische denken? Weerzin was er zeker, maar een sterke organisatie om deze ontwikkeling tegen te gaan ontstond niet. Onder professoren, dominees, kunstenaars, journalisten en schrijvers waren heel wat mensen die door de Eerste Wereldoorlog het vertrouwen in de mensheid hadden verloren. Ze hadden de gruwelen gezien en beleefd. Democratie was voor deze groep mensen een leugen. Het leven was niet democratisch en daarom moest er in de politiek niet gedaan worden alsof het wel zo was.
De harde vrede
De strafmaatregelen tegen Duitsland en Oosten-
rijk-Hongarije hadden veel te maken met de in-
voering van de democratie in Europese landen.
De regeringen van Engeland en Frankrijk wisten
dat ze, door het algemeen kiesrecht, afhankelijk
waren geworden van de steun van het grote pu-
bliek. Daarom konden ze geen zoete broodjes
bakken met de vijand, want men wilde wraak.
'Hang the Kaiser' klonk het in Londen, Boche
payera' in Parijs. De idealen van Woodrow Wilson werden wel prachtig gevonden, maar eerst moest er wraak genomen worden, vond men. In die sfeer werd president Wilson van Amerika niet herkozen. Men vond hem te zacht. Hij had de belangen van Amerika niet goed behartigd.
Ook op sociaal en economisch terrein gingen de regeringen van Europese landen steviger optreden. Ze moesten de kiezer wat laten zien om stemmen te verdienen. Daardoor haalde de overheid steeds meer taken naar zich toe.
De opkomst van het fascisme: Itali
Itali was in 1914 neutraal gebleven. In 1915 koos het de kant van Engeland en Frankrijk. Toen de overwinning op Duitsland en Oostenrijk-Hongarije een feit was, hoopte Itali op een stukje van de buit; een paar kolonin, een stukje van de Dalmatische kust of een paar eilanden in de Middellandse Zee. Daar kwam niets van in, want Amerika, Engeland en Frankrijk wilden het niet. De Italianen waren furieus, vooral op hun eigen regering en hun parlement. In het noorden van het land was het erg onrustig. Itali had namelijk wel het Duitstalige Zuid-Tirol gekregen en dat leverde problemen op. Het Italiaanse Fiume was naar Joegoslavi gegaan en dat wilde Itali nu juist zo graag houden. Verder waren er grote spanningen tussen boeren en grootgrondbezitters, tussen arbeiders en fabrikanten. Arbeiders staakten, bezetten bedrijven en hielden demonstraties. Boeren kwamen in opstand tegen de grondbezitters van wie ze de grond pachtten. Industrilen, grootgrondbezitters, de kerk en de rijke oude families zagen in dit soort acties een
voorbode van de revolutie zoals die in Rusland had plaatsgevonden. Ze stuurden er knokploegen op af en vooral de 'Fasci di Combattimento' van Benito Mussolini waren actief en behoorlijk succesvol.
Mussolini, de leider van de fascisten, werd zo bekend in Itali dat hij met zijn 'zwarthemden', hun uniform, in 1922 een mars naar Rome hield. Daar aangekomen, zelf nam hij de trein, eiste hij de post op van minister-president. Die post kreeg hij. Mussolini schreef nieuwe verkiezingen uit. Omdat hij een hekel had aan het parlement, aan discussie, aan compromissen, stelde hij de grondwet buiten werking. De partij die het grootst werd, zou tweederde van de zetels in het nieuwe parlement krijgen. Mussolini won de verkiezingen en Itali werd een fascistische staat.
