Dat betekende niet dat de arbeiders in Rusland
het voor het zeggen zouden krijgen, integendeel. Als elke arbeider, boer of soldaat zijn zegje kon doen, zou het socialisme nooit bereikt worden. De partij zette de koers naar het socialisme uit. In wezen was er dus een dictatuur van n partij ontstaan. Binnen die partij was een kleine groep mensen die de macht had. Maar ook die groep moest zich neerleggen bij de besluiten die uiteindelijk genomen werden. Wie afweek van deze besluiten, ook wel de partijlijn genoemd, was geen andersdenkende, maar een saboteur, een scheurmaker of een contrarevolutionair. Met dergelijke lieden ging men niet in discussie. De geheime politie, de Tsjeka, zorgde ervoor dat ze verdwenen.
Na Lenins dood (1924) werd Trotski opzijgeschoven door Jozef Stalin. Stalin zou het systeem van Lenin handhaven en verscherpen.
De nieuwe kaart van Europa
In 1919 werd in Versailles een nieuwe kaart van Europa getekend. Er ontstonden om te beginnen drie nieuwe staten: Finland, Tsjechoslowakije en Joegoslavi. Vier staten die ooit bestaan hadden keerden terug op het Europese toneel: Polen, Estland, Letland en Litouwen. Roemeni kreeg een stuk van Hongarije, Griekenland kreeg delen van het Turkse rijk. En Oostenrijk, eens zo groot, Oostenrijk was 'wat er overbleef. Zo zei de Franse premier Clemenceau het.
Staten hebben een grondgebied nodig en wat de n krijgt moet de ander afstaan. Polen ontstond bijvoorbeeld uit Duits en Russisch grondgebied. Er woonden dus ook Duitsers en Russen in Polen. In Tsjechoslowakije was er een Hongaarse en een Duitse minderheid. Deze nationale minderheden voelden zich achtergesteld door de vrede van Versailles en dat leidde tot spanningen. Tussen de Tsjechen en de Slowaken boterde het niet erg en ook de volkeren van Joegoslavi hadden weinig vertrouwen in elkaar. Dit vertrouwen ontbrak niet alleen tussen de verschillende nationale groepen. Ook tussen de sociale groepen waren er scherpe tegenstellingen.
De landen in Oost-Europa behielden ook na de Eerste Wereldoorlog het karakter van een standenmaatschappij. Adel, grootgrondbezitters dus, kerk en rijke burgerij waren nog steeds de baas. Zij bekleedden de topfuncties in het leger, in het bestuur, aan de universiteiten en in de rechterlijke macht. De nieuwe staten waren dus innerlijk verdeeld. Dan is het erg moeilijk een democratisch systeem op te bouwen, want daarvoor is een onderling vertrouwen nodig. Zo was het in West-Europa ook gegaan in de 19e eeuw. De democratie was vooral succesvol in landen die al wat langer bestonden: Frankrijk, Engeland. Nederland.
In jonge staten, met grote nationale n sociale verschillen is dat moeilijker. Vandaar dat de democratie in de meeste nieuwe landen al spoedig verdrongen werd door een dictatuur of door autoritair leiderschap. Autoritaire leiders konden trouwens vaak rekenen op brede steun onder de bevolking. Juist dankzij de democratie konden autoritaire leiders populair worden bij grote groepen van de bevolking. De minderheden waren dan vaak de klos.
