Historisch
De Eerste Wereldoorlog duurde van 1914 tot 1n 1918. Het was een oorlog die uitbrak tussen Europese landen. Aan de ene kant vochten de Centralen: Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Bulgarije en het Turkse rijk. Ze stonden tegenover de Geallieerden: Engeland, Frankrijk, Servi en Rusland. Zulke oorlogen tussen Europese landen werden in de moderne tijd (vanaf 1648) regelmatig uitgevochten. Vanaf de 17e eeuw hielden de regeringen het machtsevenwicht in Europa in de gaten. Zodra een land te machtig dreigde te worden, vormden de staten die zich bedreigd voelden een bondgenootschap en maakten het sterke land een kopje kleiner. Denk aan het bondgenootschap van Frankrijk en Engeland tegen de Republiek in 1672, het bondgenootschap van de Republiek, Oostenrijk en Engeland tegen Frankrijk (1688) of, een dikke eeuw later, aan het Congres van Wenen. Daar werd Frankrijk 'in de boeien geslagen' door sterke buurlanden. De politiek van het machtsevenwicht werkte vrij goed. Oorlogvoeren is natuurlijk nooit prettig en zeker niet voor de soldaten, maar in de periode 1648-1763 ging het
meestal om vrij kleine conflicten.
Lodewijk XIV ging nooit met zijn hele leger (400.000 man) op pad. Voor meer dan 40.000 soldaten was op het slagveld geen plek en na een paar veldslagen was het geld op. Dan moest er wel vrede gesloten worden. Tijdens langdurige onderhandelingen, waarbij de winnaars en de verliezers als gelijken bij elkaar aan tafel zaten, werd dan de balans opgemaakt.
De meeste legers bestonden uit beroepssoldaten die de risico's van de strijd goed kenden. Weglopen als het erg gevaarlijk werd, deserteren, was heel gewoon. Dat veranderde door de Franse revolutie. In 1792 werden alle mannen die konden
vechten opgeroepen voor het leger. Deze 'leve en masse' was het begin van een nieuw verschijnsel: de dienstplicht. De grote legers van dienstplichtigen maakten het voor Napoleon mogelijk om
heel Europa te onderwerpen. Hij ging wl met een leger van 600.000 man op pad: naar Rusland. Die veldtocht werd geen succes, maar de dienstplicht wel. Ook in andere Europese landen werd in de 19e eeuw de dienstplicht ingevoerd. Het werd niet eens beschouwd als een inbreuk op de vrijheid. Het was zelfs een hele eer om het vaderland te mogen dienen. In alle Europese landen werd de liefde voor het vaderland aangewakkerd. Dat gebeurde vooral in het onderwijs, waar in de geschiedenislessen het eigen, glorieuze verleden flink werd opgepoetst. Wie zou er niet willen sterven voor een land met een rijke en belangrijke historie? Vanaf de 19e eeuw werd deserteren beschouwd als 'landverraad'. Het was een schandelijke daad die met de kogel werd bestraft.
Door al deze ontwikkelingen werden de legers aan het eind van de 19e eeuw steeds groter. Door technische ontwikkelingen nam de kans om te sneuvelen toe; denk alleen al aan mitrailleurs of aan het zware geschut dat na 1870 steeds doeltreffender werd.
Er is nog een factor van belang om de grote aantallen slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog te verklaren. In Europa bestond ook na de Franse revolutie nog steeds een standenmaatschappij. Dat zag je ook in het leger. De hoge functies vanaf kapitein tot en met generaal, werden nog steeds vervuld door zonen uit de hogere standen, de adel en de rijke burgerij. Het kon de staf van het leger niet zo veel schelen wat er met die boerenkinkels in de loopgraven gebeurde. Generaals van alle partijen gaven zonder enig nadenken opdrachten die veel slachtoffers zouden brengen. Een mensenleven telde niet. Dat is in moderne oorlogen toch anders.
