Kunst
In een eeuw waarin politici, fabrikanten en journalisten zich richten op de massa, kun je verwachten dat kunst en onderwijs dat ook doen. Rond het begin van de eeuw raakte de romantische kunstenaar uit de mode. Eenzaam lijden op een zolderkamer en oud brood eten om 'de Kunst' te dienen was in de 19e eeuw het grote ideaal. Aan het begin van de 20e eeuw kreeg men genoeg van dat zweverige streven naar schoonheid. Schoonheid was een leugen, zeiden ze. In de natuur had de moderne mens niets meer te zoeken. In de moderne kunst waren er, net als in de 19e eeuw, verschillende stromingen. Om te beginnen de constructivisten. Die zagen de natuur als een ongeorganiseerde troep. De mens zou zich moeten vrijmaken, zich emanciperen, van de natuur. In een heldere, strakke, schone en dus beschaafde stad lag een nieuwe toekomst. Daar zou de mens zich pas echt kunnen ontplooien. Strenge vor-
men, discipline en beschaafd gedrag gingen volgens hen hand in hand. Vooral in de bouwkunst had deze richting aanhangers in Le Corbusier en Mies van der Rohe. Maar een schilder als Mondriaan paste er ook wel bij. Lijnrecht hiertegenover stonden de expressionisten. Die vonden het streven naar beschaving lachwekkend, zinloos en onmenselijk. Expressionisten zagen in de mens ren beest dat gevangen was in de beschaving, in degelijk onderwijs en rijtjeshuizen. De mens moest op zoek gaan naar wat er in hem leefde. De kunstenaar trad op als gids bij deze zoektocht. Architecten waren er niet veel binnen deze stroming, maar wel veel dichters, componisten en schilders. Een derde stroming was die van de surrealisten. Zij spiegelden hun publiek een wereld voor die de werkelijkheid overtrof; droomlandschappen als die van Dali, maar ook de op het oog realistische stadsgezichten van Willink. Expressionisten en surrealisten hebben onze manier van kijken en luisteren, zelfs onze gevoelens benvloed. Reclame, popmuziek en computerspelletjes zitten vol droomlandschappen.
Jeugd
Volwassenen praten vaak over 'een onbezorgde jeugd', maar ze vergeten dat jonge mensen tobbers zijn. Daar weet de 'Kindertelefoon' alles van. In je jonge jaren sta je voor belangrijke beslissingen. Je ouders en je familie kun je niet kiezen, maar een school, een beroep en een partner wel. En dat zijn geen eenvoudige keuzes. Verder moet je leren leven met je karakter, je uiterlijk, je smaak, je seksuele voorkeur en nog wat van die zaken die zich moeilijk laten veranderen.
Was dat vroeger anders? Zeker, er viel toen niet zo veel te kiezen. Ouders, leraren, dominees en pastoors hadden veel gezag. Ze vertelden je precies hoe de wereld in elkaar zat en wat je moest doen. Nu vragen ze steeds 'wat je er zelf van vindt' of ze zeggen dat iets 'jouw keuze' is. Dat noemen we een vrijere opvoeding en dat is het ook. Het is alleen een vrijheid die risico's met zich meebrengt.
Bewegingen
In de twintigste eeuw manifesteert de jeugd zich geregeld in groepsverband, als massa. Aan het begin van de eeuw was dat als 'Wandervgel' en als padvinders. Jonge mensen zochten vrijheid, idealen en kameraadschap, en trokken wandelend en zingend de natuur in. Na de Eerste Wereldoorlog waren dat de Rode Pioniers, de Rode Valken van de Arbeiders Jeugd Centrale, de Hitlerjeugd, het Gereformeerde Jongelingen Verbond en De Graal. Na de Tweede Wereldoorlog waren er nozems, beatniks, provo's, hippies, kabouters, punkers, krakers, yuppies, rappers en gabbers. En dan zijn er ook nog de kleuters, de scholieren en de studenten.
In deze groepen is een tweedeling aan te brengen in bedachte en spontane bewegingen.
De jeugdbewegingen van voor de Tweede Wereldoorlog waren grotendeels bedacht door de ouderen. De Hitlerjeugd was een kweekvijver voor de jeugd zoals Hitler die graag zag; het cp, bracht de jongeren de gereformeerde ideen bij en De Graal was er voor katholieke meisjes.
