Emancipatie
Misschien is de twintigste eeuw wel de eeuw van de emancipatie en de gelijkheid. Als je kijkt naar de verschillen tussen 1900 en 1999, dan is daar iets voor te zeggen. Aan het begin van de eeuw was er geen algemeen kiesrecht. Pas rond de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) werd in de meeste Europese landen het algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht ingevoerd. De politieke ongelijkheid tussen mannen en vrouwen werd daarmee maar voor een deel opgeheven. Omdat er bijna geen vrouwen op invloedrijke posten in politieke partijen zaten, zou echte gelijkheid nog lang duren. Dan praten we niet over jaren, maar over generaties. Dit is maar n voorbeeld van emancipatie. Ook op sociaal en economisch terrein zijn er veel veranderingen te zien. Aan het begin van de eeuw waren er al vakbonden, maar veel macht hadden ze niet. Het enige middel dat ze hadden om iets te bereiken, was staken. In de loop van de eeuw is
hun positie langzaamaan sterker geworden. Na de Eerste Wereldoorlog konden vakbonden in Europa en de VS belangrijk werk doen in het verbeteren van de arbeidsomstandigheden. Na het algemeen kiesrecht waren de socialistische partijen sterk gegroeid. Deze partijen drongen in het parlement aan op hervormingen en dat was een steun in de rug voor de vakbonden. Politieke partijen, niet alleen de socialisten, werkten ook aan
verbetering van het onderwijs, de volksgezondheid en de volkshuisvesting. Goede voorzieningen op deze terreinen maakten de ongelijkheid tussen mensen een stuk kleiner. Na de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) werden deze voorzieningen zo verfijnd dat we spreken van de verzorgingsstaat. De overheid nam de taak over van de grote voorvechters van de emancipatie, de vakbonden en de socialistische partijen.
De standsverschillen die aan het begin van de eeuw nog goed zichtbaar waren, zijn geleidelijk minder geworden. Rond 1900 was er nog een duidelijke scheiding russen de leefwereld van de hogere burgerij, de kleine burgerij en de arbeiders. Daar is nu niet zo heel veel meer van te merken. Behalve een kleine elite heeft niemand meer een butler of een Rolls Royce. De lol is er ook af, want bijna iedereen heeft een auto en overhemden hoeven niet meer gestreken te worden.
Zijn er dan geen verschillen meer tussen arm en rijk? Natuurlijk zijn die er nog. In de sociale piramide zien we vier groepen, A, B, C en D. Het valt op dat de onderste laag, het D-segment, niet meer het grootst is. In de piramide rond 1900 was dit nog wel zo. De grootste groep vormt nu het B- en C-segment. Het A-segment is weer vrij klein. Met die laatste groep is ook iets aan de hand. In die groep kom je door geboorte, maar ook door goed je best te doen. Voor de echte doorzetter loopt er vanuit het D-segment een gebaande weg naar het A-segment. En voor de echte lapzwans is het niet zo'n kunst om vanuit het A-segment in het D-segment terecht te komen. Deze bewegingen noemen we sociale mobiliteit. In deze eeuw is vooral de mobiliteit naar boven heel groot. Het onderwijs gaf veel mensen een kans om hogerop te komen. Algemeen kiesrecht, betere arbeidsomstandigheden, goede volkshuisvesting en onderwijs zijn maar een paar voorbeelden waarom je de zot eeuw de eeuw van de emancipatie en de gelijkheid zou kunnen noemen.
Consumptie
Rond 1900 waren er nog echt deftige winkels. Daar kocht alleen de hogere burgerij. Die winkels hadden veel personeel dat als een knipmes boog als je binnenkwam. De prijzen waren gepeperd en alle aankopen werden door loopjongens thuisgebracht. Dat beroep verdween door de opkomst van grotere warenhuizen. Die mikten op een breder publiek, ze hadden een groter assortiment en ze waren veel goedkoper. 'Hier Eet Men Afval' sneerde snobs over de HEMA (Hollandse Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam). Toch snoepten warenhuizen als De Bijenkorf, Vroom & Dreesmann en de HEMA klanten af van de deftige speciaalzaken. Waren het niet de lage prijzen, dan was het wel het brede assortiment, dat ook rijke klanten aantrok. Wat voor deftige winkels gold, ging ook op voor kleermakers en kruideniers. Tussen -930 en 1970 voltrok zich een revolutie in de winkelsector. De kleine volkswinkel verdween, maar ook deftige zaken gingen op de fles. Warenhuizen, confectiepaleizen en supermarkten trokken klanten uit alle lagen van de bevolking. Daardoor is aan de buitenkant de ongelijkheid van mensen verdwenen.
