Door het loslaten van vaste stijlen, ontstonden in de schilderkunst verschillende 'stromingen'. De beroemdste stroming uit de 19e eeuw is wel het impressionisme (impressie- indruk). De impressionisten schilderden veel buiten: daar probeerden ze hun indrukken, van de wind of de zon in de bomen. direct op het doek te schilderen. Dat was nieuw. Nieuw was ook dat het geen enkele stroming meer om alleen maar een plaatje van de werkelijkheid te doen was. Dat kon je na :85o beter aan de fotograaf overlaten. De uitvinding van de fotografie leidde dus niet tot de ondergang van de schilderkunst, maar gaf de schilders juist een enorme artistieke vrijheid.
De droom van de wetenschap
De Verlichting en de Franse revolutie vereerden de rede. Het menselijk verstand was een betrouwbaar kompas op weg naar een betere toekomst. In de 19e eeuw versterkte de stormachtige ontwikkeling van de techniek en de industrie dat geloof, vooral onder de burgerij. Men was onder de indruk van de verbluffende resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Louis Pasteur ontdekte bijvoorbeeld dat melk, boter en vruchtenjam niet meer schiften of gisten als ze zijn verhit tot 80C. Ook ontwikkelde hij een vaccin tegen hondsdolheid, in zijn tijd nog een gevreesde ziekte. Robert Koch ontdekte rond de eeuwwisseling hoe ziekten werden overgebracht: door bacillen te kweken toonde hij aan dat elke ziekte haar eigen kleine verwekker heeft. Koch is de vader van het geneeskundig laboratorium met steriele instrumenten en proefdieren. Met zijn technieken werd
het mogelijk om volksziekten als tuberculose, cholera, dysenterie en tyfus re bestrijden. Toen dit soort gevreesde ziekten in hoog tempo werd overwonnen, begon de betekenis van wetenschap ook bij het brede publiek door te dringen. In de schei- en natuurkunde werden minstens even verbluffende uitvindingen gedaan. Veel van die uitvindingen en theorieen vonden al snel een praktische toepassing. Rond I890 deed bijvoorbeeld het elektrische licht zijn intrede; de gloeilampen van Anton Philips vonden al snel hun weg door heel Europa en ver daarbuiten. Carl Benz bouwde in 1885 een verbrandingsmotor in de eerste automobiel; en bedenk maar eens voor hoeveel werk de uitvinding van de auto heeft gezorgd. Scheikundige kennis was vooral belangrijk voor de chemische industrie. Die maakte geneesmiddelen, kleurstoffen, kunstmest, en allerlei geur- en smaakstoffen voor de voedselindustrie.
Darwin, Nietzsche en de 'moord op God' Natuurlijk kwamen er uit al dat wetenschappelijke onderzoek ook resultaten tevoorschijn waar mensen het liefst de ogen voor sloten. Een voorbeeld daarvan was de studie waarmee de bioloog Charles Darwin in 1869 kwam. Hij had waargenomen dat diersoorten zich aanpasten aan hun omgeving en dat de beste aanpassers de grootste overlevingskans hadden. Er vond dus natuurlijke selectie plaats. Ooit moest ook de mens op die manier zijn ontstaan. Dat was natuurlijk in mijd.. met het scheppingsverhaal uit de Bijbel. In het Christelijke Europa leidde de theorie van Darwin dan ook tot veel opschudding. Darwin werd voor gek versleten en als ketter afgedaan. Want war was de Bijbel nog waard als de mens inderdaad van de apen af zou stammen? Wat was dan nog de waarde van de Tien Geboden?
Die vraag stelde ook de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche zich. Wat had de wetenschap, de zogenaamde vooruitgang de mens opgeleverd? Was de
mens er een spat minder eenzaam of minder sterfelijk door geworden? Nietzsche verafschuwde de wetenschap; de wetenschap was verantwoordelijk voor de moord op God. 'God is dood! God blijft dood) En wij hebben hem gedood. Maar hoe hebben wij dit gedaan? Hoe hebben we de zee kunnen leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de hele horizon uit te vegen?' Dat laat Nietzsche de 'dolle mens' zeggen in zijn boek 'De vrolijke wetenschap'. Zo streden aan het begin van deze eeuw pessimisme en optimisme om voorrang.
