Na de Franse revolutie maakte het christendom in heel Europa een opleving door. Daardoor was in de 19e eeuw ook de christelijke zendingsdrang heel sterk. En dan waren er nog de handelsbelangen. De regeringen van Engeland, Nederland en Frankrijk konden het zich niet langer veroorloven hun kolonien te verwaarlozen. Het bestuur werd verbeterd en er gingen meer soldaten en oorlogsschepen naar de kolonien, om zo het bezit veilig te stellen en de rust te bewaren. Her streven om meer greep te krijgen op de kolonin (en zo mogelijk nieuwe te veroveren) heet imperialisme (imperium = wereldrijk).

De 'white man's burden'
In Engeland, dat in de 19e eeuw een onmetelijk koloniaal rijk beheerde, leefde het imperialisme het sterkst. Een uitgesproken verdediger van het imperialisme is de Engelse schrijver Rudyard Kipling. Kipling had al vanaf zijn jeugd door India gereisd, en was onder de indruk geraakt van de cultuur en de enorme verscheidenheid van dat land. Hij wilde India nier veranderen, maar beschermen. Volgens hem moest Engeland die taak op zich nemen. Kipling zag Londen als de 'navel van de wereld', het nieuwe Rome. Alle volken in het Britse wereldrijk moesten zichzelf blijven - en dat kon alleen als zij zouden samenwerken onder het voortreffelijke Britse bestuur, Hij noemde dit de 'white man's burelen': de last of plicht die de blanken op zich moesten nemen. Die 'nobele' kijk op het imperialisme sprak veel Engelsen aan. Kiplings kijk op het imperialisme botste natuurlijk nogal eens met de werkelijkheid. In Afrika bijvoorbeeld. Daar begon rond 1800 de verkenning van de binnenlanden. Onderzoekers namen vooral routes langs grote rivieren als de Niger, de Kongo en de Zambesi. De Schor David Livingstone. zendeling van beroep. verkende zowel de Zambesi als de Kongo. Hij was een van de weinigen die oog hadden voor de Afrikaanse cultuur en
de rijkdom van dit werelddeel. Het liefst zou hij gezien hebben dat Engeland het gebied in bescherming nam om een weg te banen voorhandel en christendom'. Hij begreep ook dat dit niet van de ene dag op de andere zou gaan. Maar Livingstone was een uitzondering. De meeste Europeanen waren minder geduldig. Zij wilden meteen resultaat zien. Rond 1870 had men in Europa wel begrepen dat Afrika een aantrekkelijk bezit zou zijn. De spanning russen de Europese landen nam toe. Vooral Frankrijk en Engeland zaten elkaar dwars - alweer. Nu was het in de 19e eeuw gebruik geworden om dit soort kwesties op grote conferenties te regelen. Denk maar aan het Congres van Wenen. Zo ging het ook met 'de kwestie Afrika'. Op een conferentie in Berlijn (1884-1885) werd Afrika verdeeld onder de Europese landen. In een moderne atlas kun je nog zien dat veel grenzen eenvoudigweg met een liniaal getrokken zijn.
Dromen van welvaart
Het bezit van een huis, een auto en een serie huishoudelijke apparaten is in Europa heel normaal. Wie honderd jaar geleden een dergelijke explosie van welvaart voorspeld zou hebben, zou voor gek versleten zijn. Toch brak pas rond die tijd het idee door dat welvaart niet alleen iets was voor de rijken. Welvaart moest gespreid worden.
Armoede werd al langer gezien als de bron van veel kwaad: alcoholisme, criminaliteit, prostitutie, vervuiling, het leek allemaal te maken te hebben met armoede. Daarom moesten de gevolgen van armoede bestreden worden. Bovendien brak rond 188o in Amerika en Europa het besef door dat het helemaal niet zo heel slim was om hongerlonen te betalen. Een goedbetaalde arbeider werkte harder en zou zijn geld uitgeven aan nieuwe produkten. Tussen 1880 en 1900 moest zelfs de grootste pessimist toegeven dat de welvaart steeg. Optimisten riepen dat dit pas her begin was. De lonen zouden blijven stijgen en steeds grotere groepen zouden in de welvaart gaan delen.
Ondernemers hadden neig een reden om ril, loon te beulen. Machines namen steeds ni, werk over. De Ionen vormden daardoor een kl, nee deel van de totale produkiekosten. Het I, dienen van die dure machines was verantwoord. lijk werk; werk dar zorgvuldig gedaan moest worden. Hogere lonen waren een prikkel om dat gedaan te krijgen.
Door het groeien van de welvaart kwamen er voor Veel produkten nieuwe klanten. Reclame moest die klanten de weg naar de winkel wijzen. De kruidenier wachtte niet langer op klanten, hij plaatste advertenties in de krant en schroefde een kleurig naambord op zijn gevel. Ook in de winkels zelf veranderde het een en ander. Naast losse grutterswaren in grauwe zakken kwamen er nu kleurige verpakkingen voor havermout, zeep en conserven.
Natuurlijk stegen de lonen niet in alle ondernemingen even snel, Moderne bedrijven, vooral die in chemie en in elektronica, konden dat makkelijker betalen dan een melkfabriek of een weverij. Moderne bedrijven werden ook anders geleid. Niet altijd meer door de eigenaar, maar steeds vaker door een directeur die ook gewoon werknemer was. Deze deskundigen waren vaak beter in staat om een bedrijf goed te leiden dan iemand die de zaak van zijn vader had gerfd.
