Aan her einde van de middeleeuwen was volgens Marx en Engels een nieuwe groep opgekomen: de burgerij. De burgerij vocht zich vrij van de macht van de landsheren. Ze had door haar kennis (ambachten) en hun vermogen [verdiend m de handel; een sterke positie opgebouwd. Daardoor konden deze burgers bij de landsheer stadsrechten en andere voorrechten afdwingen. In de steden hadden de rijke burgers nu de macht. Dat is de andere kant van de klassenstrijd: er waren winnaars en verliezers. De rijke burgers ontpopten zich volgens Marx en Engels namelijk al snel tot vakkundige uitbuiten. Op hun schepen en in hun werkplaatsen konden ze de kansloze arbeiders hard en lang laten werken. Die arbeiders kregen net genoeg loon om niet te sterven van de honger. Het verschil russen de waarde van hun arbeidskracht en hun loon verdween in de zak van de eigenaar van het kapitaal. de kapitalist. Volgens Marx en Engels zouden de arbeiders uiteindelijk in verzet komen tegen hun onderdrukkers - net als de burgerij dat in de middeleeuwen had gedaan. Een revolutie zou onvermijdelijk zijn. Na de revolutie zou alle kapitaal gemeenschappelijk bezit worden. Eerst zou de staat dat bezit moeten beheren, maar na verloop van tijd was die staat niet meer nodig: alle mensen zouden dan gelijk zijn.
Toen het Communistisch Manifest verscheen, leken de voorspellingen van Marx en Engels zo gek nog niet; zoals we gezien hebben was 1848 een erg onrustig jaar.
Sociaal-democraten en communisten
Toch bleef na 1848 de voorspelde revolutie uit.
Arbeiders die zich aaneensloten in vakverenigin-
gen boekten ondertussen wel kleine succesjes.
Daardoor groeide bid veel mensen de overtuiging
dat hervorming van de maatschappij een betere
oplossing was dan een revolutie. Een socialisti-
sche samenleving zou ook vreedzaam, Vla liet al-
gemeen kiesrecht bereikt kunnen worden: de arbeiders vormden immers een ruime meerderheid. Deze groep hervormers noemen we sociaal-democraten.
Door hun praktische houding kregen de sociaal-democraten in West-Europa al snel meer invloed dan de revolutionairen. De arbeiders zagen met eigen ogen dat de aanpak van de sociaal-democraten tastbare resultaten opleverde: hogere lonen, betere arbeidsomstandigheden en fatsoenlijke huisvesting. De revolutionairen of communisten bleven praktische hervormingen van de hand wijzen. Die veranderden namelijk niets aan het fundament van de kapitalistische maatschappij, her klassenverschil. Voor de communisten was een revolutie de enige manier om de klassenstrijd te beindigen.
De droom van het imperialisme
De Industrile revolutie maakte de wereld een stuk kleiner. Treinen en stoomschepen, rails en waterwegen brachten verre continenten opeens een stuk dichterbij - denk maar aan het Suez-kanaal (1869). Door kranten en onderwijs konden steeds meer mensen op de hoogte zijn van wat zich in de wereld buiten Europa afspeelde. Van alle massaprodukten die de 19e eeuw voortbracht was de krant misschien wel het belangrijkste. Mensen kregen oog voor hun positie in de maatschappij en voor de positie van hun land in de
wereld. Koloniaal bezit was volgens velen een betrouwbare graadmeter voor de kracht van een land. De stormachtige groei van de bevolking en haar welvaart in de VS liet zien hoe belangrijk uitbreidingsmogelijkheden konden zijn. De belangstelling voor de wereld buiten Europa nam dus toe. Die belangstelling werd ook aangewakkerd door de boeken van ontdekkingsreizigers die door de binnenlanden van Afrika, de woestijnen van China of de oerwouden van India trokken. Mensen waren razend nieuwsgierig naar hun verhalen.
