Dromen over gelijkheid
Het toverwoord van de Franse revolutie was 'gelijkheid' - ook al zo'n woord dar zoveel kan betekenen. Het kan bijvoorbeeld betekenen dat edelen en geestelijken geen voorrechten meer
hebben. Het kan ook betekenen dat alle mensen
door de overheid als gelijken behandeld worden.
Dat de tuinman en de miljonair dezelfde straf
krijgen, en dat het niet uitmaakt of je uit Gouda
komt, of uit Almelo. Dit soort gelijkheid was er in de 19e eeuw. In politiek opzicht was de invoering van het algemeen kiesrecht de voltooiing van die vorm van gelijkheid. Maar democratie alken maakte nog geen einde aan de ongelijkheid tus- sen mannen en vrouwen, tussen arm en rijk, tussen fabrikant en arbeider. Om dat te bereiken zou
de samenleving drastisch moeten veranderen.

Het socialisme volgens Owen en Blanc
In de 19e eeuw streden de socialisten voor zulke veranderingen. Volgens hen moest er een maatschappij komen waarin werk, inkomen, bezit en vrije tijd zo gelijk mogelijk over alle mensen verdeeld zou worden.
De Engelse fabrikant Robert Owen vond dat dit een taak voor de ondernemers Was. Daarom maakte hij van zijn bedrijf een 'modelgemeenschap' voor arbeiders en fabrikant. Rond zijn fabriek bouwde hij ruime, schone woningen met veel groen. De mensen die daar woonden zouden hun eigen voedsel moeten verbouwen. Alle overige benodigdheden zouden worden verkocht in winkels die eigendom van de gemeenschap waren, Owen hoopte dat zo gemeenschappen zouden ontstaan waarin mensen harmonisch met elkaar zouden samenleven. Voor gezin en huwelijk was daarin geen plaats dat waren maar ongelukkige en achterhaalde uitvindingen. Het op-
voeden van kinderen in een gezin, zeker in een slecht huwelijk, zag Owen als een struikelblok voor het opbouwen van een hechte gemeenschap. Daarom pleitte hij voor gemeenschappelijke opvoeding van kinderen; zo zouden zij echte gemeenschapsmensen worden.
De Franse socialist Louis Blanc zag juist een grote
taak voor de staat weggelegd. De staat moest zorgen voor werkplaatsen waar arbeiders tegen gelijke beloning zouden werken. Blanc vond dat de
ook de gang van zaken in alle belangrijke
van industrie moest gaan regelen. Uitein-
delijk zouden de arbeiders die zaken zelf wel
kunnen regelen. Ze zouden dan bijvoorbeeld ook
zelf moeten uitmaken wie de leiding kreeg en of dat leidinggevende werk beter betaald zou worden.
Owen en Blanc drukten een stempel op het socialisme. Hun ideeen over gemeenschapszin en staatsingrijpen zouden in de toekomst het gezicht van het socialisme gaan bepalen.

Het socialisme volgens Karl Marx
De Duitsers Karl Marx en Friedrich Engels schreven in 1848 'Het Communistisch Manifest'. Het dunne boekje besloot met de oproep aan arbeiders in alle landen om een einde te maken aan de onderdrukking. Er moest een revolutie komen: 'U heeft niets te verliezen dan uw ketenen', luidt de laatste regel. Marx en Engels kwamen niet met praktische plannen voor het verbeteren van het lot van de arbeiders. Zij hadden een theorie, waarin ze een revolutie van de arbeidersklasse voorspelden. Volgens hen was er van nature alleen maar 'arbeid'. In de pre-agrarische samenleving leefde iedere jager/verzamelaar van zijn arbeid, die bestond uit jagen en knollen rapen. Toen de landbouw (de agrarische samenleving) ontstond, ontstonden ook het bezit en de familie. De familie was een nuttig instituut om bezit door te geven. Maar bezit kon ook worden afgepakt door mensen die sterker waren, of slimmer of gemener. Wie dat overkwam was bezitloos. Zo ontstonden er dus twee klassen: bezitters en bezitlozen. Met het ontstaan van die twee klassen begon de klassenstrijd. Wie bezitloos was, werd uit de gemeenschap gestoten of werd slaaf. Vrijwillig of
onder dwang werd men dan bezit van een ander. Die ander, de bezitter, was vooral genteresseerd in de arbeidskracht van de slaaf. Ook die arbeidskracht kon hij afpakken, want de slaaf moest voor hem werken. Het verschil tussen een slaaf bij de Romeinen en een horige in de middeleeuwen was volgens Marx niet zo groot. Beiden waren bezitloos, beiden werden beroofd van de vrucht van hun arbeid. Dat is n kant van de klassenstrijd: uitbuiting. Wie anderen kon uitbuiten, werd daar zelf beter van. Zo iemand kon de arbeid van bezitlozen omzetten in kapitaal (alle bezit waar geld mee verdiend kan worden). Land, geld, kastelen en veestapels noemden Mais en Engels kapitaal. Volgens hen was kapitaal niets anders dan gestolde, gestolen arbeid.
