China: het rijk van het midden
Rond 1000 v.C. waren er in China rivierdalbeschavingen. net als in her oude Egypte en in Mesopotami. De Hoangho (=Gele Rivier) voerde enorme hoeveelheden vruchtbare lssgrond mee. waardoor de oevers uitstekende landbouwgrond boden. De Jangtsekiang voorzag het grootste rijstgebied ter wereld van water. Natte rijstbouw levert enorm veel voedsel op. Het dal van de Jangtsekiang was dan ook dicht bevolkt.
In rivierdalen is goede irrigatie en bedijking van levensbelang. Wie dit als vorst goed bijhield, had weinig zorgen. Als een vorst gespaard bleef van overstromingen en hongersnoden. dan moest hij wel een gunsteling van de Hemel zijn, dachten zijn onderdanen. Een vorst die wil dit soort rampspoed re verduren kreeg, stond bij de machten van de Hemel vast in een slecht blaadje. Machtige edelen zouden hem. met hulp van ontevreden boeren. al snel van de troon stoten.
Tot 200 v.C. waren alle rijken die in China bestonden ambtenarenstaten. Goede vorsten hadden goede ambtenaren, rechtvaardig en ijverig, plichtsgetrouw en nauwgezet. 'Als het gedrag van de vorst is wat het zijn moet. zal hij regeren zonder dat hij orders hoeft te geven. Als zijn gedrag niet is wat het zijn moet, dan worden zijn orders niet opgevolgd.' Zo omschreef men in China een goede vorst.
In de derde eeuw v.C. viel her Chinese rijk uiteen in talloze kleine staatjes. Een vorst uit het huis Ch'in, Qin Shi, slaagde er in om al die staatjes te veroveren. Qin Shi werd 'de eerste keizer' van China. Hij verdeelde zijn rijk in districten en liet die door vertrouwelingen besturen. Zijn ambtenaren voerden n systeem van maten en gewichten in en n schrijfwijze van de Chinese taal. Dit Chinese rijk zou, onder verschillende dynastien (-vorstenhuizen), tot in onze eeuw blijven bestaan. Daarmee is China de oudste staat ter wereld.
Keizers, mandarijnen en boeren
Tussen 206 v.C. en 221 n.C. regeerde de Han-dynastie over China. Het was een lange periode van rust en orde. Met de val van de Han-dynastie brak een periode van chaos en geweld aan. Het grote rijk viel uiteen in twee delen en werd pas in 589 weer herenigd. Een nieuwe periode van bloei brak aan onder de Tang- en de Soeng-dynastien (618- 1215). China werd groter dan het Romeinse rijk ooit geweest was. In her westen kwam het tot gewelddadige botsingen met de Arabieren. In het noorden was er steeds de dreiging van de Mongolen. In 1215 veroverden de Mongolen Peking. De veroveraars legden China geen nieuwe beschaving op; ze namen de Chinese beschaving over -en dat is opmerkelijk, want meestal gaat het andersom.
China isoleert zich
In 1368 werd de Mongoolse macht gebroken en kwam er een nieuwe dynastie op de troon. de Ming. Deze heersers wilden weer een sterk Chinees rijk opbouwen. Omdat daar op de eerste plaats een goed bestuur voor nodig was, werden aan ambtenaren hoge eisen gesteld. Alleen de knapste koppen van het rijk konden bij de keizer in dienst komen.
Tijdens de Ming-dynastie leefde de belangstelling voor de oude Chinese tradities weer op. Ambtenaren moesten de klassieke Chinese schrijvers zo ongeveer uit hun hoofd kennen. De Ming-keizers sloten China ook steeds meer af van de buitenwereld. In het begin van de 15e eeuw had een enorme vloot van 62 jonken nog de oostkust van Afrika bereikt - dat was wel iets anders dan de armzalige vier schepen waarmee Vasco da Gama naar India voer. Na 1431 was het plotseling afgelopen met dit soort grootscheepse expedities.
