Kolonisten en Indianen
De natuur in het oosten van Amerika was bijzon-
der rijk, maar ook ruig en onherbergzaam. De kolonisten hadden gebrek aan alles.
Indianen maakten de kolonisten wegwijs in de wildernis. De kolommen bekeken deze 'wilden' met een mengeling van afschuw en bewondering. Ze ruilden geweren en wildklemmen tegen pelzen. Naar bont was veel vraag in Europa. Daardoor gingen de Indianen meer jagen. Ze raakten onderling slaags en de wildstand liep in korte rijd hard achteruit.
Toen er meer kolonisten kwamen, werden zij minder afhankelijk van Indiaanse hulp. Vervolgens kwam het al snel tot botsingen met de Indianen. De Indianen gingen op een heel andere manier met het land om dan de kolonisten. Eigendom van grond bijvoorbeeld kwam in hun cultuur niet voor: land, water, planten en dieren
waren allemaal godenwerk, en wat van de goden was kon je niet in bezit nemen. Volgens Indiaans gebruik was koop en verkoop een soort spel, een ritueel; zoiets als samen eten of vriendschap sluiten. De Engelsen keken daar heel anders tegenaan. Koop maakte grond tot eigendom. En eigendom betekent dat een ander daar niet langer mag jagen, en er zelfs niet doorheen mag trekken. Indianen en kolonisten kwamen tegenover elkaar te staan.
De onafhankelijkheid
In de 17e en 18e eeuw stichtten Engelsen in totaal dertien kolonin aan de oostkust van Amerika. Tussen de kolonin bestonden grote verschillen. In het puriteinse Massachusetts had men een veel grotere hekel aan Engeland dan in Virginia. In het noorden leefden de boeren van akkerbouw en veeteelt. De noordelijke steden groeiden ook het hardst. In het zuiden waren veel plantages waar tabak, katoen en suiker werd verbouwd. Deze plantages werden door slaven bewerkt. De meeste slaven werden door Engelsen en Nederlanders in West-Afrika gekocht. Via de slavenmarkten in het Caribisch gebied werden ze naar Amerika verhandeld.
In totaal zijn naar schatting elf miljoen Afrikanen als vee over de Atlantische Oceaan vervoerd. Een groot aantal van hen overleefde de overtocht niet. Rond !zoo waren er in Noord-Amerika zo'n 750.000 Afrikanen, waarvan 700.000 als slaaf Zij maakten twintig procent van de totale bevolking uit.

'No taxation without representation'
In de tik eeuw rukten vanuit het zuiden van
de tegenwoordige Verenigde Staten de Fransen
op. Langs de rivieren de Mississippi en de St.
Lawrence in het noordoosten stichtten zij talloze
kolonin. In een moderne atlas kun je aan de
plaatsnamen zien dat een flink deel van Amerika
en Canada ooit in handen was van de Fransen. In
een deel van Canada wordt nog Frans gesproken.
De Engelsen zagen de opmars van de Fransen als een bedreiging. De Amerikaanse kolonin waren voor Engeland steeds belangrijker geworden, omdat zij er tabak, suiker en katoen vandaan haalden. Dat waren in Europa inmiddels onmisbare produkten geworden.
Omgekeerd waren de kolonin ook belangrijke afnemers van Engelse produkten. De handelscontacten waren echter vooral voordelig voor Engeland, en veel minder voor de kolonin. Dat leidde tot grote ontevredenheid onder de kolonisten.
Een andere reden voor die ontevredenheid was dat Engeland de kolonin belasting wilde laten betalen, want de oorlog tegen de Fransen kostte handenvol geld. Veel kolonisten waren het daar niet mee eens. Amerika was hun land, ze hadden het met eigen handen tot bloei gebracht. Waarom zouden ze nu dan belasting aan Engeland gaan afdragen? Bovendien hadden ze niet eens vertegenwoordigers in het Engelse parlement. Over belasting viel volgens de kolonisten alleen te praten als zij daarvoor ook invloed op het bestuur kregen: 'No taxation without representation' (geen belasting zonder vertegenwoordiging).
