De grondwet van 1848
Dit werd geregeld in een grondwet. Een grondwet is een wet waarin het bestuur van een land wordt geregeld. (De 'gewone' wet beschrijft de rechten en de plichten van de burgers en de overheid tegenover elkaar.)
De grondwet van 1848 was al de derde grondwet sinds 1815. Ze werd geschreven door Johan Rudolph Thorbecke. een professor uit leiden. Nieuw in zijn grondwet was dat de koning 'onschendbaar' werd. Dat betekent dat niet hij, maar de ministers verantwoording moesten afleggen aan de Staten-Generaal (de Eerste en Tweede Kamer samen). Nieuw was ook dat de Tweede Kamer voortaan direct door de burgers gekozen zou worden. Overigens mochten lang niet alle burgers hun stem uitbrengen: alleen mannen die een fors bedrag aan belasting betaalden kregen kiesrecht Zulk kiesrecht noemen we censuskiesrecht. De census (het bedrag dat aan belasting betaald moest worden) verschilde van plaats tot plaats, maar gemiddeld kwam het neer op een bescheiden jaarloon van een arbeider. Daardoor kregen in 1848 slechts 40.000 van de drie miljoen Nederlanders het stemrecht. In de loop der jaren werd de census steeds iets versoepeld. In 1917 werd de census afgeschaft en kregen alle mannelijke inwoners kiesrecht. Twee jaar daarna kregen ook vrouwen kiesrecht.
De grondwet bepaalde dat er vrijheid van godsdienst, van onderwijs, van drukpers, van vergadering en van meningsuiting zou komen. Ook moest de regering jaarlijks een begroting indienen. waarin zij haar voornemens met de inkomsten en de uitgaven voor het komende jaar bekend moest maken. Die zou dan door het parlement besproken moeten worden.
In en om het huis
In de 16e en 17e eeuw groeide de economie van de Republiek sneller dan die van andere landen in Europa. Denk maar aan de scheepvaart, de handel en het geldverkeer. In de 19e eeuw hobbelde Nederland achter de rest van Europa aart Een Nederlandse schrijver, Potgieter, vond dat verschrikkelijk. Hij haatte de 'Jan Saliegeest van de slappe Nederlanders. De Gouden Eeuw was voor hem het grote voorbeeld. Dat was het voor veel Nederlanders ook wel, maar men was toch vooral tevreden met wat men nu had. Avonturen en oorlogen vond men meer iets voor andere landen.
Nederland oefende de jeugd vooral in braafheid. Elk schoolkind kende het boekje van 'den braven Hendrik', een jongetje dat in alles het goede
voorbeeld gaf. Hij nam keurig zijn hoed af,
knoeide nooit met zijn eten en at zijn bord leeg. Wij worden een beetje misselijk van zo'n braaf ventje. Maar in de 19e eeuw verving het goede voorbeeld van Hendrik de knoet en het Spaanse rietje. Er werd nog wel geslagen op school, maar toch aanmerkelijk minder dan honderd jaar daarvoor. En dat slaan deed de meester meer pijn dan de leerling. Tenminste, dat werd aan de kinderen verteld. Er werd, zeg maar, meer op hun gevoel gewerkt. Openlijk geweld werd steeds minder gebruikt. Zo waren terechtstellingen in vroeger eeuwen een soort kermisattractie: de hele stad kwam een kijkje nemen. In de 19e eeuw trok een executie ook nog wel publiek, maar dat stond er doodstil bij te kijken en ging bedroefd uiteen. Bedroefd omdat het voorbeeld van 'den braven Hendrik' niet gewerkt had. De burgerij was gevoelig, gesteld op knusheid, gezelligheid, vol van goede bedoelingen, en misschien een grapje op zijn tijd. De doodstraf paste daar niet bij. Doodstraf werd steeds vaker omgezet in levenslange gevangenisstraf In 1860 werd in Nederland het laatste doodvonnis voltrokken. Tegenwoordig kent onze rechtspraak geen doodstraf meer.
Mannen en vrouwen
De gevoeligheid van de burgerij is een beetje vreemd als je naar de sociale piramide kijkt. De bevolking viel in grofweg twee delen uiteen. Een deel dat liefdadigheid bedreef, en een deel dat die liefdadigheid ontving. Het eerste deel hield daar een prettig gevoel aan over. Van de ontvangers werd dankbaarheid verwacht.
De gevoeligheid van de burgerij is ook een beetje vreemd als je kijkt naar de verhouding tussen mannen en vrouwen. Nederlandse vrouwen uit de 17e eeuw worden vaak beschreven als zelfstandig, grof in de mond en nogal vrijpostig. Vergelijk dat eens met de 19e eeuw. De ideale vrouw is een teer, breekbaar poppetje, het haar zedig on-
der een kapje verstopt. 'Wachten op de ware Ja-
cob', dat was het enige wat van meisjes verwacht werd. Eenmaal getrouwd was het huwelijk voor hen een gevangenis: poetsen, boenen en schrobben gingen vr lezen, schrijven of uitgaan. Om van buitenshuis werken maar te zwijgen.
Veel meer dan in de 17e of 18e eeuw namen de lagere sociale groepen een voorbeeld aan de manier van leven van de hogere kringen. Ambachtslieden en winkeliers beschouwden de 'zaak' ook steeds meer als hun eigen terrein. De vrouw moest zich met zaken niet bemoeien. Pas na 1870 zou er ook in de positie van de vrouw iets gaan veranderen.
