De breuk met Belgi
Waren de ondernemers nu met blij met hun ondernemende koning? Nee, in die kringen leefden rond 1830 heel andere idee.. Men verwachtte daar veel meer van het particulier initiatief (= niet de staat, maar individuele burgers). De staat moest zich zo min mogelijk met de economie bemoeien. Dat was het belangrijkste idee van het liberalisme. een nieuwe politieke stroming in de 19e eeuw. De voortvarendheid van Willem I streek vooral de Zuidnederlandse ondernemers tegen de haren in. Daar was ook wel reden voor. Willem I zag het zo: het Zuiden had industrie, het Noorden handelscontacten en havens, en de kolonin hadden grondstoffen. Het Zuiden moest daarom de grondstoffen verwerken tot industrieprodukten. die dan door het Noorden konden worden verhandeld. Maar het Zuiden voelde daar niets voor. De fabrikanten daar zochten liever hun eigen leveranciers en hun eigen klanten. Dan streken ze ook zelf de winst op. Het zat hen ook niet lekker dat ze moesten meebetalen aan de staatsschuld - en dus aan de hoge rente voor rijke Hollanders. Zo werden die luie renteniers in het Noorden slapend rijk, terwijl ze in het ijverige Zuiden al her werk deden. Toen de protestantse koning zich ook nog bemoeide met her onderwijs en de opleiding van priesters, was de maat vol. In het roerige jaar 1830 scheidden de Belgen zich af van het Koninkrijk der Nederlanden
De Engelsen gaven de Belgen gelijk. Pruisen en Rusland gaven Willem I gelijk, maar deden niets. Willem 1 organiseerde zelf nog wel een veldtocht tester de Belgen, maar die leverde niets op. In 1839 legde hij zich bij de feiten neer en erkende Belgi. Een jaar later deed hij, teleurgesteld, afstand van de troon. De laatste jaren van zijn leven bracht hij door in Berlijn.

Liberalisme in praktijk
De vastberadenheid had indruk ge-
maakt op de liberalen in het Noorden. Het harde
optreden van Willem I maakte veel kritiek los. Bovendien zagen de burgers in het Noorden dat zij, net als de ontevreden Belgen, eigenlijk maar weinig te vertellen hadden. In 1840 werd ook nog eens duidelijk hoeveel geld de koning-koopman had uitgegeven. De veldtocht tegen de opstandige Belgen en de staatsleningen met hun hoge rente hadden het land aan de rand van een bankroet gebracht.
In 1844 kreeg Nederland een uitstekende minister van Financien, Floris van Hall. Die bedacht een radicaal plan om de staatsschuld te verkleinen: de staat moest een nieuwe lening sluiten, van 127 miljoen, tegen een rente van drie procent. Daarmee konden alle oude leningen (met veel hogere rente) worden terugbetaald. Kwam dat geld er niet, dan zou hij nieuwe belastingen gaan heffen, dreigde Van Hall. Het geld kwam er inderdaad.
De problemen die Van Hall moest oplossen. maakten duidelijk dat een betere controle op het doen en laten van de regering nodig was. Er moest een nieuwe grondwet komen, waarin de volksvertegenwoordiging voldoende macht kreeg om de regering te controleren.
Een nieuw bestuur
Praag, Berlijn, Wenen, Milaan, Rome en Parijs: overal in Europa lande in 1848 het vuur van de revolutie weer op. Maar in Nederland bleef het vrij rustig. De koning, Willem II, ontving vanuit het onrustige Berlijn een brief van zijn dochter Sophie. Daarin drukte ze hem op het hart toch vooral hervormingen toe te staan. De koning nam haar wijze raad aan. 'Gij ziet voor u een man die in 24 uur van zeer conservatief, zeer liberaal in geworden', verklaarde hij tegen de voorzitter van de Tweede Kamer. Zo kreeg Nederland zonder al te veel beroering een parlement dat de regering ging controleren. We noemen dat een parlementaire democratie.
