Denken over de industriele samenleving
In onze maatschappij wordt de welvaart vrij redelijk verdeeld. Er is bijvoorbeeld een uitgebreid 'vangnet' van sociale voorzieningen, uitkeringen voor mensen die niet kunnen werken. Aan het begin van de Industriele revolutie was dat wel anders. zoals je hebt kunnen lezen. Er is dus iets veranderd en die verandering is niet vanzelfsprekend. De verandering zit vooral in de opvattingen over armoede. Tweehonderd jaar geleden vond men armoede een heel normaal verschijnsel. Niet iedereen kon rijk zijn, dus waren er ook armen, veel armen zelfs. Soms is het koud, soms warm, je hebt dikke en dunne mensen en korte en lange; die verschillen vond men net zo logisch als het verschil tussen arm en rijk. Nu zien de meeste mensen dat anders
De opvattingen over armoede en rijkdom veranderden nier van de ene dag op de andere; ze verschoven. Dat gebeurde ongeveer tussen 1815 en 1900. Het waren vooral economen die over de oorzaken van rijkdom en armoede nadachten. Dat hoort bij hun vak. De Schot Adam Smith wordt wel de vader van dat vak. de economie, genoemd. Volgens Smith wil ieder mens van nature zijn eigen positie verbeteren. Hij vond dat een goede zaak, want als iedereen zijn eigen voordeel najaagt, komt dat ook het algemeen belang (wat het beste is voor de hele samenleving) ten goede. Daarvoor zorgde een 'onzichtbare hand' in de economie.
In de tijd van Smith was dit iets nieuws. De overheid moest de economie sturen, vond men toen. Dat gebeurde dan ook, door middel van her geven van subsidies en het heffen van belastingen en invoerrechten. De invoerrechten moesten fabrikanten beschermen tegen concurrenten uit
het buitenland. Ze zouden dan ook hogere lonen kunnen betalen. Smith was juist een voorstander van vrijhandel. Hef alle invoerrechten op, daar zal iedereen beter van worden; concurrentie is gezond, dacht hij.
Pessimisten en optimisten
Er waren ook pessimisten, de Engelsman Robert
Malthus bijvoorbeeld. Die zag hoe snel de bevol-
king van Engeland groeide en was bang dat er te-
korten zouden ontstaan aan turf, bouwland en
voedsel. Zonder (vrijwillige) geboortenbeperking
zou de mensheid moeten leven op het randje van
hongerdood en gebrek. Zijn landgenoot David
Ricardo was het daarmee eens. Hij zag een soort
'ijzeren loonwet'. Waren de lonen hoog, dan ble-
ven er veel kinderen leven. Die zouden na tien,
twaalf jaar werk eken. Door het grote aanbod
van arbeiders zou hun loon weer dalen. Door
werkloosheid en armoede zouden dan veel kinde-
ren sterven, de lonen zouden stijgen - enzovoort Dat kon eeuwen zo doorgaan, dacht Ricardo. Twee andere Engelse denkers geloofden wel in mogelijkheden voor verandering en verbetering. Jeremy Bentham vond dat de overheid juist een actieve rol in de economie moest spelen. De overheid moest ervoor zorgen dat het zoveel mogelijk mensen zo goed mogelijk ging. Ze moest dus niet alleen opkomen voor de mensen die mochten stemmen, meestal fabnkanten en grondbezitters. maar voor de hele bevolking. Elke maatregel moest voordelig zijn voor lle betrokkenen en niet alleen voor de fabrikant of de regering. Bentham was een fel tegenstander van de theorie van Ricardo. Wie daarin geloofde was volgens hem gemakzuchtig en dom. Als je maar goed nadacht over het belang van alle betrokkenen, kon je de zaken zo regelen dat iedereen daar voordeel van had. Er kwam veel kritiek op Bentham, want men vond hem niet zo realistisch. Iedereen zoekt zijn eigen voordeel en niet het algemeen belang. zeiden zijn tegenstanders. Medestanders had Bontham ook, zijn landgenoot Richard Cobden bijvoorbeeld. Die dacht zelfs dat vrijhandel tussen landen voor vrede en welvaart zou zorgen. Want niemand was toch zo dom om zijn eigen klanten uit te moorden? Zo veranderde dus het denken over armoede en zelfs over oorlog: die dingen waren niet langer onvermijdelijk. Eigenlijk waren ze zelfs onnodig.
