Nog meer mensen en goederen konden vervoerd worden met een stoomschip. In 1819 stak voor het eerst een stoomboot de Atlantische Oceaan over. De overgang van zeilschepen naar stoomvaart ging trouwens heel geleidelijk. Kolen namen veel kostbare laadruimte in beslag, en wind was gratis. De stoomvaart bracht wel de plannen voor het graven van het Suezkanaal in een stroomversnelling, Dat kanaal zou de Middellandse Zee met de Indische Oceaan verbinden. Met stoomschepen zou dan de lange reis naar Azi flink wat korter worden. In 1869 werd het kanaal geopend. De wereld was weer een stukje kleiner geworden. Stoomvaartlijnen en spoorwegen maakten dus niet alleen de Industriele revolutie mogelijk; ze brachten landen en volken ook dichter bij elkaar.
In het vervoer en in de industrie schakelde men in de toe eeuw over op fossiele brandstoffen, zoals steenkool. Fabrieken, treinen en schepen blazen dus al zo'n tweehonderd jaar een enorme hoeveelheid roet en CO2 uit hun schoorstenen. Tegenwoordig ervaren we dit als een groot probleem. CO2 wordt bijvoorbeeld wel genoemd als een belangrijke oorzaak van het steeds warmer worden van de aarde, het 'broeikaseffect'.
Doordat het vervoer tussen steden en landen verbeterde. ontstond er ook meer concurrentie. Zeker toen de industrie zich over heel Europa ging verspreiden. In Belgi, Frankrijk en Duitsland kwam de industrie wat later op dan in Engeland. Dat land begon vanaf 1870 zijn voorsprong op andere landen kwijt te raken.
Door de Industriele revolutie werd er, voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid, meer geproduceerd dan men nodig had. Voor fabrikanten begon nu het gevecht om de klanten.
De groei van de steden
De bevolking op het platteland nam toe, terwijl er voor her boerenwerk steeds minder mensen nodig waren. Er waren dan ook veel landarbeiders die naar de stad trokken, in de hoop daar een baan te vinden in een van de fabrieken. Als dat niet lukte, en dat kwam veel voor, wachtte bittere armoede.
De nieuwkomers woonden in sloppenwijken, die in de buurt van de fabrieken stonden. De leefomstandigheden waren allerellendigst. Een boer die, in onze tijd, zijn varkens zo zou huisvesten, zou grote moeilijkheden krijgen met de dierenbescherming. Bij een volkstelling in 1840 bleek dat in Liverpool 39.000 mensen in kelders leefden. Heel wat gezinnen deelden n kamer. Sanitaire voorzieningen waren er niet - het woord was nog niet eens uitgevonden. In het gunstigste geval werden strontemmers door een kar opgehaald, maar meestal werden ontlasting en was- en kook-
water op straat gegooid. Daar bleef het in plassen tussen de huizen staan. Besmettelijke ziekten al, malaria, tyfus en tuberculose maakten dan ook heel wat slachtoffers.
Ook over het voedsel valt weinig goeds te melden Gekookt werd er alleen op zondag, want werkda- gen duurden al gauw veertien tot zestien uur. Een zevendaagse werkweek was trouwens geen uit zondering, zeker niet in de mijnen. In de vroeg-industrile steden lag de gemiddelde levensverwachting dan ook op 17 jaar. Zo laag was het in Engeland sinds de pestepidemie van 1347-1351 niet meer geweest. Rijke mensen vonden het dan ook steeds minder leuk om in de stad te wonen. De trein stelde hen in staat een optrekje buiten de stad in te richten. Tussen 1850 en 1900 ontstonden rond de grote steden in Europa de eerste villadorpen
