In Engeland was die behoefte er in de 18e eeuw. De eerste stoommachines werden vooral gebruikt in kolenmijnen, om het grondwater weg te pompen. Daarom werd er veel aan stoommachines geknutseld door figuren als James Watt. Toen hij een goed werkend model had ontworpen, zagen textielfabrikanten daar ook wel wat in. Tussen 1780 en 1800 bouwde Watt tientallen stoommachines voor weverijen, die nu dus met stoomkracht gingen werken. Deze weverijen stonden in fabrieken in de stad. Voor de ondernemers had dit drie voordelen: het werk werd sneller gedaan; het kon door minder mensen gedaan worden; en het was nu makkelijker om te controleren of de mensen en de machines hun werk wel goed deden
De huiswevers op het platteland kregen steeds minder opdrachten. Ze gaven de schuld daarvan natuurlijk aan de bazen van de fabrieken. Soms trokken ze zelfs in grote ploegen naar de fabrieken om de boel kort en klein te slaan. Maar ook rauwe vuisten konden de opkomst van de machines en de fabrieken niet meer stuiten.
De industrie verspreidt zich
Textiel werd een massaprodukt. Als grondstof werd katoen steeds belangrijker, want wol was er gewoon niet genoeg. Katoen wel. Dat kwam van plantages uit India en Amerika. Plantagehouders beleefden gouden tijden.
Door de Industrile revolutie nam de behoefte aan vervoer toe. Als er veel geproduceerd wordt, moet er namelijk ook veel verkocht worden. En wie veel wil verkopen moet zijn klanten wat verder weg gaan zoeken, misschien zelfs in het buitenland. Bovendien stond niet elke fabriek pal naast een kolenmijn. Ook steenkool moest vervoerd worden.
In de 18e eeuw was men in Engeland en Frankrijk al begonnen met het verbeteren van de wegen. Daardoor konden de koetsdiensten steeds geregelder gaan rijden. Maar koetsen zijn niet geschikt om grote hoeveelheden kolen te vervoeren.
Daarom werden, vooral in Engeland, nieuwe kanalen aangelegd en oude uitgebaggerd. Tussen 1750 en 1820 kreeg Engeland er maar liefst 8000 kilometer aan kanalen bij. Die kanalen waren maar smal, want mechanische graafmachines be stonden nog niet. Het was allemaal handwerk Lange schuiten, die jo ton of meer konden vel voeren, werden door paarden voortgetrokken. Nog sneller en voordeliger was het vervoer over rails. In 1814 bouwde George Stephenson de eerste goed werkende locomotief Het leverde hem een fortuin op. In 1821 werd hij gevraagd om locomotieven te bouwen voor de nieuwe Stockton en Darlington Railway. Het was de eerste spoorlijn die ook passagiers vervoerde.
