Van thuiswerk naar fabriek
Op de tekening zie je een landgoed in Engeland omstreeks 1770. Het is een voor die tijd modern landgoed. De heggetjes en de stenen muurtjes zijn nieuw. Vroeger was dit de meent. Daar mochten alle boeren en dorpelingen hun schapen en varkens laten rondscharrelen. Nu staan de varkens in een hok en die deftige heer wil ze kopen.
Ook de schapen staan achter een hek. Dit soort schapen levert goed vlees en veel wol. Rechts helpt een meisje haar moeder bij het wieden van de klaver. Klaver maakt de uitgeputte grond weer snel vruchtbaar. Bovendien zijn de schapen er dol op. Op de geploegde akker links zaait een boer winterkoren (rogge).
Sinds omheiningen de stukken grond afbakenen, gaat het er met de bewerking van het land een stuk praktischer aan toe. Over alles is nagedacht, zo lijkt het wel. En de landsheer uit het grote huis
op de achtergrond is daar niet slechter van geworden. Hij is trots op zijn landgoed, waar zo hard en doelgericht gewerkt wordt. Want ook de tijd wordt goed gebruikt. Op de voorgrond spint een vrouw draden. Haar man, binnen, maakt daar op zijn weefgetouw lappen stof van. De heer die de vrouw aanspreekt is een lakenkoopman uit Manchester, een grote stad uit de omgeving. Hij rijdt alle dorpen in de omgeving af, bezorgt wol en neemt geweven stof mee terug. Deze tekening laat goed zien dat spinnen en weven een vorm van 'thuiswerk' was. We noemen dat ook wel huisindustrie. Tussen 1770 en 1820 zou deze huisindustrie in Engeland vrijwel geheel verdwijnen. Toch bleef de produktie van wol enorm groeien: door de toepassing van nieuwe uitvindingen en technieken. en doordat de produktie zich verplaatste naar fabrieken, waar spinmachines en weefgetouwen door stoommachines werden aangedreven.
De stoommachine
Het principe van de stoomkracht was al bij de Grieken bekend. Toch zou het ruim tweeduizend jaar duren voor James Watt de eerste goed werkende stoommachine bouwde (1780. Dat is geen wonder. Pas in de 18e eeuw beschikte men over de kennis en de materialen om zo'n machine te bouwen. Van grof gietijzer kun je nu eenmaal geen cilinder met een volmaakt gladde binnenkant maken. Dat lukt alleen met staal, dat bij hoge temperaturen in hoogovens wordt gesmolten uit ijzererts. Om die hoge temperatuur te bereiken is weer cokes (bewerkte steenkool) nodig. Voordat je een stoommachine kunt bouwen, moeten al die dingen er dus eerst zijn. Het is een combinatie van factoren. Bovendien moet er ook nog behoefte zijn aan zo'n krachtige machine.
