Gematigde en radicale revolutionairen
In de landen buiten Frankrijk werd de revolutie met spanning gevolgd. Betrouwbare berichten waren schaars, geruchten waren er des te meer. Gruwelverhalen van gevluchte edelen, geestelijken en tegenstanders van de revolutie gingen er natuurlijk in als koek. De reacties op de gebeurtenissen in Frankrijk varieerden van instemming tor afschuw. Koningen, geestelijken en edelen vonden dat er in Frankrijk gevaarlijke dingen gebeurden. Als de revolutie zou overslaan naar hun land, zou ook hun positie wankelen. Daarom stuurden Oostenrijk en Pruisen troepen naar de Franse grens. Lodewijk XVI probeerde tevergeefs naar de Oostenrijkse troepen in de Zuidelijke Nederlanden te vluchten (1791). Dit kwam de tegenstanders van de koning goed uit. Nu konden ze hem van verraad beschuldigen. De afschaffing van her koningschap kwam een stap dichterbij.
Radicalen krijgen de overhand
Er ontstonden nu twee kampen, in Frankrijk en in de Nationale Vergadering. Aan de ene kant stonden de gematigden, die vonden dat de oorlog moest stoppen en dat de grondwet moest worden uitgevoerd. Ze wilden dus onderhandelen met de koning en met het buitenland. De radicalen, onder invloed van figuren als Danton, Marat en Robespierre, wilden oorlog. Oorlog om Frankrijk te redden en om de revolutie over Europa te verspreiden. De radicalen hadden meer invloed dan de gematigden; hun standpunt wekte veel meer enthousiasme. Uit alle steden meldden zich vrijwilligers. Het was inmiddels 179z en in dat jaar vond een 'tweede revolutie' plaats. De Tuilerien werden geplunderd, de koning werd afgezet en met zijn familie gevangen gezet. Frankrijk werd een republiek. Het was duidelijk dat de radicalen de macht naar zich toe hadden getrokken.
Ook in het radicale kamp zelf stak de verdeel,: heid al snel de kop op. Moest de koning worden berecht en terechtgesteld? Moest de dienstplicht worden ingevoerd? De minst radicale groep, de Girondijnen, wilde de koning berechten en de oorlog uitvechten. In januari 1793 werd de koning dan ook ter dood veroordeeld en onthoofd. De radicale Jacobijnen wilden ook de maatschappij ingrijpend veranderen. Daar ging deze groep heel ver in. De christelijke jaartelling en de kalender werden afgeschaft. 1792 werd het jaar I en zelfs de week verdween. Elke maand kreeg dertig dagen, verdeeld over drie perioden van tien dagen, decaden. De ouderwetse aanspreektitels 'monsieur' en 'madame' werden vervangen door de aanspreekvorm 'citoyen', burger. God werd veranderd in het Opperwezen en op speelkaarten
mocht geen koningin meer worden uitgebeeld. Ze werd vervangen door een mevrouw die 'vrijheid der kunsten' heette. Het Koninklijk Paleis kreeg als nieuwe naam 'Gelijkheidspaleis'. Alles wat aan de oude maatschappij deed denken moest verdwijnen. De oorlog speelde de Jacobijnen in de kaart, want de schrik voor een bezetting door Oostenrijk en Pruisen zat er goed in. Figuren als Robespierre en Danton hitsten het volk flink op. Daardoor werd al snel een sfeer geschapen waarin iedereen een verrader zou kunnen zijn. Wie niet toegewijd was aan de Jacobijnse zaak, was een verrader. In juni 1793 werden de Girondijnen uit de regering gewerkt. De Jacobijnen waren nu heer en meester in Frankrijk.
De leider van de Jacobijnen, Maximilien de Robespierre. voerde een jaar lang een waar schrikbewind. Alleen al de guillotine maakte 35.000 slachtoffers. De onderdrukking van opstanden in de Vende en Bretagne kostte nog veel meer mensen het leven. Deze periode van massale executies wordt ook wel 'de Terreur' genoemd.
