De bestorming van de Bastille
Door de gebeurtenissen in Versailles stond Parijs
op zijn kop. Drukkers maakten overuren om de
lawine van pamfletten en programma's af te
draaien. De geruchtenmachine in de bomvolle
stad draaide op volle toeren. 'De koning laat troe-
pen rond Parijs samentrekken. De koning wil de
Nationale Vergadering uit elkaar laten jagen.' In
de stad ontstonden comits van burgers die de
stad wilden verdedigen. Op 14 juli maakte een
groep Parijse burgers tienduizenden geweren
buit in een wapenmagazijn. De munitie voor die
geweren zou te vinden zijn in de Purine, een ves-
ting die nu diende als staatsgevangenis. De ves-
ting werd net zo lang belegerd tot de bewakers de
brug lieten zakken. Dat zouden ze met hun leven
moeten bekopen. De Pastille, het gehate symbool
van onderdrukking, was door het volk genomen. De volgende dag deelde de koning de Nationale Vergadering mee dat hij zijn troepen rond Parijs zou weghalen.
Het gerucht van de revolutie verspreidde zich al snel over heel Frankrijk. Ook gingen er al snel geruchten dat de edelen troepen verzamelden om de boeren te vermoorden. In paniek, maar ook uit jarenlang opgekropte woede, plunderden de boeren daarop kastelen en kloosters. Veel edelen. maar ook belastingophalers werden vermoord. De schrik en angst onder de adel en geestelijkheid die in Parijs verbleef was zo groot dat zij, in een vergadering in de nacht van 4 op 5 augustus, afstand deden van al hun voorrechten. Duizenden edelen namen echter het zekere voor het onzekere en vluchtten naar het buitenland.
Nieuwe wenen
Het idee van gelijkheid was in de 18e eeuw populair geworden in Frankrijk. Nu was er een kans om het in praktijk te brengen, vonden velen. Iedereen kende de leuze 'Vrijheid, gelijkheid en broederschap'. De koning werd door marktvrouwen uit zijn paleis in Versailles gehaald. In het nieuwe Frankrijk moest de koning temidden van het volk wonen, in Parijs zelf dus. Lodewijk XVI nam zijn intrek in de Tuilerien, een paleis in het centrum van de stad.
De Nationale Vergadering stelde nieuwe wetten op. In die wetten werd onder meer de positie van de kerk en de koning geregeld. De staat nam alle kerkelijke bezittingen in beslag. Priesters zouden een eed moeten afleggen op de nieuwe grondwet. Voortaan zouden ze een soort ambtenaren worden, betaald door de staat en gekozen door de gelovigen. Veel bisschoppen en priesters weigerden zich daar bij neer te leggen. Veel gelovigen bleven achter hun eigen priester staan. In de provincie braken hier en daar tegenrevoluties uit. Maar in Parijs kregen juist de fanatieke revolutionairen, die nog veel meer overhoop wilden halen, de wind in de zeilen.
