In Frankrijk is bijna niemand tevreden
In de 18e eeuw was Frankrijk niet alleen een land van enorme afmetingen, maar ook van enorme verschillen. Dat gold niet alleen voor het klimaat of het landschap, maar vooral voor de bevolking van 25 miljoen zielen. Van die bevolking hoorde misschien twee procent bij de machtigste groepen. de adel en de geestelijkheid. Toen Lodewijk XIV regeerde (1661-1715) hadden deze groepen veel macht en invloed verloren. Na zijn dood was het hen niet gelukt die verloren invloed terug te krijgen. Ze waren dus niet tevreden. De adel was ook niet erg tevreden over zijn inkomen. Edelen leefden vooral van de pacht van hun boeren en de opbrengst van hun eigen akkers, die ze door dagloners of pachtboeren heten bewerken. In die mkomsten zat weinig groei. Andere inkomsten waren er nauwelijks, want een edelman die een gewoon beroep uitoefende. dat vond men niet gepast.
Tegenover de dalende inkomsten stonden stijgende uitgaven. Her leven in de 18e eeuw werd steeds luxueuzer. Vooral in de hogere kringen werd het mode om flink met rijkdom te pronken. Een beetje edelman had behalve zijn landgoed nog een huis in Versailles, waar hij met zijn fami- lie een groot deel van het jaar doorbracht. De in-
richting van zo'n huis. theatervoorstellingen, balsen diners slokten een flink deel van de inkomst, op. Dit soort verzetjes was trouwens niet alleen maar luxe. Het uitgaansleven werkte ook als hu- welijksmarkt wie een mooie post in het bestuur in de wacht wilde slepen, moest daar zijn gezicht laten zien. Al deze pracht en praal leverde flink Wat werk op voor kleermakers, pruikenmakers. meubelmakers. juweliers en koks; zij hadden hun handen vol om het de adel in Versailles naar ii zin te maken.
Het besturen van hun landgoederen lieten de edelen over aan een rentmeester. Die rentmeester moest voldoende geld uit het landgoed persen om zijn heer en diens familie in het verre Versailles 'op stand' te kunnen laten leven. En zelf wilde hij er natuurlijk ook iets aan over houden. Uiteindelijk draaiden de kleine pachtboeren dus op voor al die kosten.
Kritiek van de burgerij
'Onder', of 'naast' de adel, dat is maar hoe je het
bekijkt, stond de hogere burgerij. Onder, omdat
ze nu eenmaal geen titel en geen voorrechten
hadden. Naast, omdat ze vaak wl even rijk of rij-
ker waren als de edelen. Rijk waren vooral de ban-
kiers en de industrielen. Bankiers waren belang-
rijk, want zij leenden geld aan de staat. En de
Franse staat zat voortdurend krap bij kas. Van de
industrielen die het ver schopten, verdienden er
veel hun geld in de wapenindustrie. Frankrijk
voerde veel oorlog. Dertig procent van alle uit-
gaven ging naar het leger. Grote ondernemers liepen in en uit bij de ministers. Zij sleepten opdrachten in de wacht en tientallen kleinere fabrikanten, kanonnengieters, textielfabrikanten, knopenfabrieken, zadelmakers wachtten weer op orders van deze 'magnaten'. Een rijke ondernemer voelde zich dan ook in niets de mindere van een edelman die moest afdingen bij de kleermaker.
Tussen de hoge en de gewone burgerij gaapte een enorme kloof. Met een atelier in Lyon of een paar schepen in de haven van Bordeaux telde je al niet meer echt mee. In de hoogste kringen in Parijs, daar gebeurde het allemaal. Wie daar niet bij-hoorde, moest maar afwachten of er voor hem iets in het vat zat.
Veel kleine ondernemers vonden dat wel best; als er maar orders kwamen. Maar er waren ook lieden die dat stoorde. Advocaten, ingenieurs, artsen, schrijvers, professoren bekeken dat hele circus in Parijs met andere ogen. Ze hadden een goed verstand en veel kennis, en zagen dat het met Frankrijk de verkeerde kant opging. Ze konden daar echter weinig aan doen, omdat ze nu eenmaal niets in de melk te brokkelen hadden. Z kon het in elk geval niet langer doorgaan. Wat was Frankrijk nu eigenlijk, vroegen ze zich af Was dat het kleine kliekje dat in Parijs besliste over oorlog en vrede en dus over de inhoud van de schatkist en het welzijn van het volk? Of waren het de miljoenen burgers, de ambachtslieden, de sjouwers, de marktvrouwen en de boeren? Moest het belastinggeld worden uitgegeven aan oorlogen, een hofhouding en het omkopen van ambtenaren? Of kon je het beter besteden aan wegen, kanalen, scholen en gevangenissen?
Kritiek van het gewone volk
Dit idee leefde trouwens minder bij de honderdduizenden schoenmakers, winkeliers. dienstmeiden, marktvrouwen en vissers. Het leefde ook niet bij de miljoenen boeren. Die hadden hun werk om zich druk om te maken, ze moesten in leven zien te blijven. Maar zij hadden weer andere redenen om ontevreden te zijn. De boeren zuchtten onder hoge pachtsommen, onder grondbelasting die zij wel, maar edelen niet hoefden te betalen. Ze waren kwaad op de edelman die tijdens de jacht alweer een korenveld vertrapt had; die verbood wilde zwijnen te stropen, terwijl die de eikels voor de varkens opvraten. Dat mocht allemaal maar. Kroegbazen in de steden waren kwaad over hoge belastingen op wijn en bier, bakkers en klanten foeterden op de hoge graanprijzen. En dan was er nog de zoutbelasting, de 'gabelle', gehaat omdat zout toch nodig was om eten mee in te zouten voor de winter
