Amsterdam. stapelmarkt van Europa
De Republiek lag op het kruispunt van de handel tussen de Oostzee en de Middellandse Zee. Dankzij die gunstige ligging groeide Amsterdam in de 17e eeuw uit tot de stapelmarkt van Europa. Gespecialiseerde kooplieden kochten in alle handelssteden overschotten op tegen spotprijzen. Die sloegen ze op in hun Amsterdamse pakhuizen (en soms ook elders). Als die produkten dan plotseling schaars werden, verkochten ze ze weer - uiteraard met forse winst.
Dat was wel een erg makkelijke manier om rijk te worden. In Londen en Hamburg kreeg men dat ook in de gaten. Na 1650 ging Engeland daarom dwarsliggen. Het vaardigde de Acte van Navigatie (-zeevaart) uit. Daarin stond dat alleen Engelse schepen nog op Engelse havens mochten varen; Hollanders kwamen er niet meer in.
Nieuwe economische activiteiten
Heel wat Nederlandse kooplieden zijn in de Gou-
den Eeuw schatrijk geworden. Wat deden ze met
het verdiende geld? Nog meer schepen op het wa-
ter brengen en nog meer pakhuizen bouwen had
weinig zin. Daarom verstrekten de kooplieden le-
ningen aan het buitenland en kochten zij daar
soms hele industrieen op. Lodewijk de Geer was
in 164o de grootste kanonnenkoopman van Eu-
ropa. Hij pachtte hoogovens in Zweden en liet Waalse ingenieurs overkomen om voor hem te werken. En zo zaten er wel meer Nederlanders middenin het 'web' van de Europese economie.
De Geer zag Europa als zijn werkterrein. Maar dichter bij huis beleggen kon ook. Tussen 1594 en 1615 werden de Beemster, Purmer, Wormer en Schermer bedijkt en drooggemalen. Het grondgebied van de Republiek nam daardoor in dertig jaar tijd met eenderde toe. Het droogmalen van de polders was het idee van Jan Leeghwater, een ingenieur die watermolens ontwierp. In Amsterdam kun je hem nog dagelijks horen, want ook de carillons van de Wester- en de Zuiderkerk zijn door hem gemaakt. Nieuwe landbouwgrond kwam er ook aan de voet van de duinen. Daar werden de geestgronden ontgonnen. In veenrijke gebieden (Drenthe, Groningen, Friesland, het Gooi) werd veel geld gestoken in het afgraven van veen om turf te winnen. Veel plaatsnamen in die streken herinneren nog aan de eerste turfstekers.
Sociale verschillen
De vruchtbare grond van de droogmakerijen werd vaak voor veel geld verkocht. Regenten kochten ook wel grote landgoederen en noemden zich daar dan naar: Heer van Purmerend, Heer van Ilpendam. Zo ontstond er dus een nieuwe adel. Door de bestaande adel werden deze nieuw komers ook wel 'geldadel' genoemd. Dat was na tuurl ijk niet als compliment bedoeld.
In de gewesten die niet aan zee lagen, zoals Overijssel en Gelderland, had de 'oude' adel nog steeds grote invloed.
Vlak onder de regentenklasse stond die van de rijke kooplieden. Die hadden veel geld, maar geen politieke invloed. Soms lukte het een koopman om door een huwelijk in de regentenklasse door te dringen.
Ver daaronder stond de gewone burgerij: de winkeliers, kleine handelaars en ambachtslieden. Zij hadden een redelijk goed bestaan, maar in de politiek telden zij niet mee.
De boeren hadden het zwaar. Door het vele graan dat uit het Oostzeegebied werd ingevoerd, waren de graanprijzen laag. Met hard werken en sober leven wisten de meeste boeren het net te rooien. Nog moeilijker was het voor de klasse van arbeiders: de land- en industriearbeiders, zeelieden en vissers. Zij hadden het alleen goed als er voldoende werk was. Als er geen werk was, vielen zij terug in de onderste laag van de sociale piramide: die van de bedelaars en landlopers. Er was veel armoede in de Republiek, ook in de Gouden Eeuw. Voor de meerderheid van de Nederlanders was de Gouden Eeuw dus helemaal geen gouden eeuw.
