Deze gebeurtenis lag de regenten nog vers in het geheugen toen stadhouder Willem II zich heftig verzette tegen de Vrede van Munster (1648). Die vrede maakte een einde aan de Tachtigjarige Oorlog. Toen Willem II kort daarna plotseling stierf, besloten de regenten het stadhouderschap af te schaffen. Zo brak voor de Republiek het eerste 'stadhouderloze tijdperk' aan (1650-1672).

Met of zonder stadhouder?
In dit tijdperk was de raadpensionaris van Hol-
land, Johan de Witt, de machtigste man van de
Republiek. De Watt was een bekwaam bestuur-
der. Hij probeerde door het sluiten van verdragen
de Republiek buiten de oorlog te houden. Maar
toen duidelijk werd dat de vloot van de Repu-
bliek niet regen die van Engeland was opgewas-
sen, was hij verstandig genoeg om in korte tijd
weer een sterke marine op re bouwen. De bevel-
hebber van die marine, Michiel de Ruyter, heeft voor de Republiek heel wat keren de kastanjes uit het vuur gehaald. Het lukte hem zelfs om de Engelsen op de rivier de Theems een verpletterende nederlaag toe te brengen.
Toen Frankrijk en Engeland in 1672 samen de Republiek aanvielen, kreeg De Witt de schuld. Het geroep om een stadhouder van Oranje stak de kop weer op. Datzelfde jaar nog werden De Witt en zijn broer in Den Haag op beestachtige wijze vermoord door een fanatieke groep 'Oranjeklanten'.
De inmiddels 22-jarige zoon van Willem II, Willem III, werd tot stadhouder benoemd, de regenten waren het er wel over eens dat de Republiek in deze moeilijke tijden een sterke militaire leider nodig had. En inderdaad lukte het Willem III om, met hulp van De Ruyter, de Frans-Engelse aanval af te slaan.
Boeren en beursen
De Republiek (1588-1795) is altijd rijk geweest. In de 17e eeuw was de Republiek zelfs een economische 'supermacht'. Die eeuw wordt dan ook de Gouden Eeuw genoemd. De Republiek was korte tijd de bankier, het magazijn en de vrachtvaarder van Europa.
Als 'groot geld klein geld aantrekt', dan was de Republiek daarvan het bewijs. Kooplieden gaven om te beginnen krediet. Normaal werden bestelde goederen vooraf betaald. In de Republiek betaalde je vaak pas bij aflevering. Verder hadden reders en kooplieden in tal van Europese handelssteden agenten in dienst. Die zorgden ervoor dat een schip dat goederen kwam brengen ook op de terugweg een vracht kon vervoeren. Dat drukte
de transportkosten natuurlijk. Hollandse sche- pen. hadden bovendien weinig tuigage en een groot ruim. Er waren dus minder zeelieden nodig om die schepen te bemannen. Zo had de concurrentie het nakijken. Italiaanse kooplieden lieten hun waren liever bezorgen door Hollanders dan door Venetianen of Genuszen. Die waren veel te duur. Nieuwe schepen bestellen in de Republiek was trouwens ook veel voordeliger. Langs het IJ en de Zaan klopten duizenden bedrijvige hamers en zong de zuidwestenwind in de wieken van de zaagmolens.
De wisselbank
Nog zo'n mooie uitvinding was de Amsterdamse Wisselbank 11609). Banken waren al een bekend verschijnsel in Europa. Je kon er je geld en goud in bewaring geven. Van de bankier ontving je daarvoor dan een ontvangstbewijs. In de loop der tijd gingen kooplieden die ontvangstbewijzen accepteren als betaalmiddel. Eerst alleen van bekenden, later ook van vreemden, bijvoorbeeld omdat zij de bank die de 'wissel' uitschreef wel betrouwbaar vonden.
Bij de Amsterdamse Wisselbank had iedere Amsterdamse koopman een rekening. Omdat die kooplieden ook allemaal agenten hadden in de Europese handelssteden, konden bankwissels int Amsterdam overal verzilverd worden. Zo liep een groot deel van het Europese betalingsverkeer via Amsterdam.
