De erfenis van de Verlichting
Veel van de dingen die we tegenwoordig vanzelfsprekend vinden. stammen uit de 18e eeuw. Heel wat mensen zouden zich het leven zonder thee, koffie, Bach. Handel en Mozart, kranten, tabak, caf's, parfum en zeep niet kunnen voorstellen. Natuurlijk smaakt koffie in de 20e eeuw lekkerder dan in de 18e eeuw. Wij hebben snelfiltermaling, gezuiverd leidingwater en misschien zelfs een espressoapparaat. En natuurlijk klinkt Bach nu veel beter dan tweehonderd jaar geleden. Die man zou gemoord hebben voor onze muzikanten, opgeleid aan een conservatorium, en voor onze cd-spelers. Wij hebben zelfs een Orkest van de Achttiende Eeuw. Dat speelt stukken van Bach die hij zelf nooit heeft horen uitvoeren.
Veranderingen in levensstijl
In de achttiende eeuw wilde ook de burgerij 'in stijl' gaan leven, Daarvr was dat altijd iets van de adel geweest. De gedekte tafel, met porselein en bestek, met dekschalen en soep vooraf het waren dingen die nu ook voor de welgestelde burgerij een normale zaak werden.
Meubilair en vloerkleden werden modeartikelen. De garderobe breidde zich uit In de 18e eeuw werd nagedacht over hoe een fatsoenlijke tuin eruit zou moeten zien. De burgers in de grote steden begonnen de schouwburg en de concertzaal te bezoeken. Daarom werden de zalen en dus ook de orkesten groter. De muziekstukken werden ingewikkelder. Er werd ook heel wat verbeterd aan de instrumenten, want natuurlijk stond ook daar de techniek niet stil. Trompetten kregen betere ventielen, pauken een betere bespanning. Violen uit de stad Cremona in Itali gelden nog steeds als de allerbeste, vooral die gebouwd zijn door Antonio Stradivarius. In het concert- en toneelleven werd meer nadruk gelegd op het uiterlijk, op de buitenkant. Her einde van de 18e eeuw wordt ook wel de 'pruikentijd' genoemd.
Stadhouders en regenten
Nederland is sinds 1815 een koninkrijk. In de 17e en 18e eeuw was het een republiek. Dat is nu een heel normale staatsvorm, denk maar aan Duitsland, Frankrijk of de Verenigde Staten. Maar in die tijd was een republiek nog iets uitzonderlijks. Het besturen van die republiek verliep dan ook zelden zonder conflicten. Dat begon al in de tje eeuw, tijdens het bestand in de Tachtigjarige
Oorlog (1609-1621). De stadhouder, Maurits, was aanvoerder van het leger. Hij voelde weinig voor vrede en vond dat de Republiek de strijd tegen de Spanjaarden moest voortzetten. De regenten in Holland voelden niets voor hervatting van de oorlog, want dat was slecht voor de handel. Uiteindelijk trokken de regenten aan het kortste eind. Maurits ging zelfs zo ver dat hij de belangrijkste regent van het machtige Holland, raadpensionaris Van Oldenbarnevelt, van hoogverraad beschuldigde en liet onthoofden.
