De bedorven en de onbedorven mens
Nergens in Europa had de Verlichting zoveel in-
vloed op de samenleving als in Frankrijk. De
drang tot vernieuwing kreeg de Fransen in hun
greep. Toen Charles-Louis de Montesquieu in
1748 pleitte voor de beperking van de macht van
de koning, moest zijn boek in een halfjaar twaalf
keer herdrukt worden. Trouwens. een boek hoeft
nier gelezen te worden om toch invloed te heb-
ben. Jean-Jaques Rousseau werd niet zoveel ge-
lezen. maar wel ernstig bewonderd door een
schare vrouwen. Vooral zijn boek 'Emile', over
opvoeding, was het gesprek van de dag. Rousseau pleitte voor een vrije opvoeding, met veel Natuur, Deugd en Waarheid. Hij geloofde namelijk dat de mens van nature goed was, maar dat juist de moderne beschaving die onbedorven natuur had verpest. Het is dan ook geen toeval dat men juist in de tijd waarin Rousseau leefde, met andere ogen ging kijken naar de volken die in de Nieuwe Wereld waren ontdekt. Die leefden nog 'puur natuur', onbedorven door de moderne tijd. Op hun zonovergoten eilanden hadden die 'wilden' helemaal geen beschaving nodig om gelukkig te zijn.
Natuurlijk betekende dit nu ook weer niet dat men het liefst de kleren zou willen afrukken en het bos in wilde hollen, om daar ouderwets gelukkig te worden. Voor de meeste mensen was het gewoon een leuk of spannend onderwerp om een deftig gesprek over te voeren.
Toch laat al dat gepraat over 'onbedorven' en 'bedorven' mensen zien dat er in Frankrijk iets broeide. In de 18e eeuw kwam daar een koortsachtige drang op om de maatschappij te veranderen. In het volgende hoofdstuk zullen we zien dat daar ook voldoende aanleiding toe was.
