De Verlichting
In paragraaf 1 heb je kunnen lezen dat in de 17e eeuw grote vooruitgang werd geboekt in de wetenschap. Dat was vooral een zaak van de geleerden onderling. In de 18e eeuw werd wetenschap in bredere kring snel populair. Ontwikkelde Europeanen begonnen te geloven dat de mogelijkheden van het menselijk verstand vrijwel onbegrensd waren. Wetenschap en techniek zouden de mens gelukkiger kunnen maken. De mensen moesten dan wel leren om hun verstand te gebruiken. Daarvoor moesten eerst duistere machten als bijgeloof en domheid worden overwonnen. In de duisternis van onwetendheid zou licht gebracht moeten worden, het licht van het verstand. De mensen die zo overtuigd waren van de nacht van het verstand, noemden dat zelf Verlichting. De Verlichting van de 18e eeuw, zou je kunnen zeggen, was een logisch vervolg op de wetenschappelijke revolutie van de eeuw daarvoor.
De macht van het menselijk verstand
In de eeuw van de wetenschappelijke revolutie werd volop onderzoek gedaan naar allerlei verschijnselen uit de natuur: dieren, planten, het heelal. In de rijd van de Verlichting gingen schrijvers en denkers zich ook verdiepen in de mens zelf. Hoe kunnen mensen op een prettige manier met elkaar samenleven, vroegen zij zich bijvoorbeeld af Hoe komt het dat mensen vaak meer op hun gevoel afgaan dan op hun verstand? En wat kunnen we daaraan doen? In onze tijd is het vrij normaal om over dit soort zaken na te denken. Als in de samenleving iets niet goed gaat, proberen we te bedenken hoe het beter zou kunnen. In de 18e eeuw was dit iets nieuws.
In de middeleeuwen was men gewend de wereld te nemen zoals zij was. De standenmaatschappij
was zoiets wat vanzelfsprekend werd gevonden: God had mensen aangewezen om nederig te werken, en mensen om leiding te geven. Waarom? Die vraag was niet zo interessant; het was nu eenmaal zo. Dat was een kwestie van geloof Wie gelooft, moet aanvaarden dat zijn verstand tekort schiet.
De wetenschappers uit de tje eeuw en de Verlichters uit de 18e eeuw namen daar niet langer genoegen mee. Zij vonden dat geloven en je gezond verstand gebruiken lang niet altijd samen gingen; en zij kozen voor het laatste. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat de Verlichten k geloofden: niet in de leer van de kerk, maar in de macht van het menselijk verstand.

Veranderende politieke opvattingen
In de Verlichting werd over de meest uiteenlo-
pende dingen nagedacht. Vaak ging het om din-
gen die eeuwenlang als vanzelfsprekend waren
geaccepteerd. Dat de staat een schepping van God
was bijvoorbeeld, en dat koningen door God waren aangewezen om die staat volgens zijn wil te regeren.
De Engelse denker Thomas Hobbes had daar al een iets ander idee over. De staat was volgens hem een menselijke schepping. Maar veel vertrouwen in de mens had Hobbes niet. Mensen waren alleen geinteresseerd in hun eigen belang. Laat ze hun gang gaan, en ze verscheuren elkaar als wolven, dacht hij. De enige die volgens Hobbes orde in die chaos kon scheppen, was een koning met absolute macht.
Niet iedereen was het daar mee eens. Een andere Engelse denker, John Locke, had juist helemaal geen vertrouwen in een absolute vorst. Hij geloofde ook niet dat mensen verblind waren door eigenbelang. Mensen gebruikten hun verstand en regelden hun zaken door te geven en te nemen, met afspraken en contracten. In zo'n opvatting is natuurlijk geen plaats voor een koning met onbe-
perkte macht. Volgens Locke hadden de mensen er zelf voor gekozen zich door een koning te laten regeren. Als de koning zijn 'werk' niet goed deed. dan korden zijn onderdanen hem ook weer wegsturen.
