Van werkplaats tot bedrijf
De arbeiders kregen het in de loop van de 17e en 18e eeuw steeds beter. Tenminste, als je alleen naar hun inkomen kijkt. Toch groeide de ontevredenheid. Die ontevredenheid had te maken met de vooruitgang van de techniek.
In bedrijven werd ook toen al steeds meer gebruik gemaakt van kostbare apparaten. Waterkracht bewoog de zware hamers van de blikslager, pompen hielden mijnen droog. de blaasbalg van de smid werd niet meer met de hand bediend - kortom, de machine deed zijn intrede. En omdat de techniek niet stil stond, werden die apparaten voortdurend vervangen door nieuwe, betere en duurdere apparaten.
Ondernemers begrepen ook steeds beter wat al die apparaten hen nu werkelijk opleverden. Al rekenend kwamen ze tot de conclusie dat ze met een grote werkplaats eerder uit de kosten zouden zijn dan met een kleine werkplaats. Maar in die grote werkplaatsen werden wel hogere eisen aan de arbeiders gesteld en waren er strenge regels. Op tijd komen, niet spreken en niet lanterfanten. opschieten, doorwerken. Het ambachtelijk handwerk veranderde langzaam in een 'produktieproces. Dat proces werd niet meer door de ambachtsman uitgedacht; dat was al voor hem gedaan. De ambachtsman moest gewoon doen war er van hem verlangd werd.
In de mijnbouw, in textielbedrijven en in drukkerijen, overal groeide de produktie. Maar de werkdagen werden ook langer en er werden heel wat vrije dagen ingeleverd. Soms protesteerden de arbeiders daar wel tegen, maar de ondernemers hadden geen oor voor hun bezwaren. Voor elke ontevreden werknemer konden zij immers zo tien anderen in dienst nemen.
Overigens waren niet alle werknemers ontevre- den. In grote bedrijven had je namelijk meer kans om op te klimmen dan in een kleine werkplaats. De sociale piramide van een bedrijf in de 17e of 18e eeuw had dus heel wat meer treedjes dan in de 15e of 16e eeuw.
Milieu
Tegenwoordig maken we ons veel zorgen om het milieu. De bodem is vervuild, de lucht zit vol giftige gassen en de bossen zijn ziek - als ze niet al plaats hebben moeten maken voor wegen en woningen.
Je zou het misschien niet zeggen, maar het verzieken van het milieu stamt niet van de laatste dertigjaar. Al in de middeleeuwen werden er bossen gerooid om plaats te maken voor landbouwgrond. In de ze en 18e eeuw werd er op grote schaal gekapt om aan brandstof te komen voor de industrie, om mijngangen te stutten en om ruimte te maken voor de groeiende steden. Industrien gingen zorgeloos om met hun afval. Lood, zink en allerlei zuren werden gewoon in de natuur geloosd. Er waren geen auto's en olieraffinaderijen, maar er werden wel honderden kilo's as en sintels uit de haard geharkt. Ook energieverkwisting is niet iets wat de moderne mens heeft uitgevonden. Tweehonderd jaar geleden verdween maar liefst driekwart van de warmte gewoon weer door de schoorsteen naar buiten.
Een belangrijk verschil tussen toen en nu is wel dat wij ons bewust zijn van de roofbouw die de mens op de natuur pleegt. Om ons heen kunnen we de gevolgen ervan met eigen ogen zien. Bovendien leven er tegenwoordig tien maal zoveel mensen in Europa als in 1700. Die gebruiken samen natuurlijk veel meer energie, ook al omdat iedereen gretig meedoet aan het kopen van nieuwe apparaten, auto's, in plastic verpakte etenswaren... Dus of we het nu willen of niet, we zullen de natuur wel anders meten behandelen. In de 18e eeuw jaar geleden speelde dat probleem nog niet zo. De natuur leverde gratis grondstoffen en was dus een stuk gereedschap.
Over menselijke arbeidskracht dacht men eigenlijk niet veel anders. 'Nuttig' is een 18e-eeuws woord. Mensen, dieren en planten moesten vooral nuttig zijn. Paarden en andijvie waren nuttig, paardebloemen en mollen niet. Wat niet nuttig was, was schadelijk. Bijen waren natuurlijk nuttig en mieren, ja, die werkten zo hard, die moesten wel nuttig zijn.
