WAAROM BESTUDEREN WE DE VERLICHTING?
In het vorige hoofdstuk ging het over ontdekkingen waarvoor verre reizen gemaakt moesten worden. Ontdekkingsreizigers en veroveraars staken in hun kleine schepen de wereldzeen over. Ze ontdekten dat aan de overkant een andere wereld bestond, met andere volken die op een andere manier leefden.
Ook dit hoofdstuk gaat over ontdekkingen. Maar nu komen we amper buiten Europa. We komen zelfs amper buiten, want de ontdekkingen waar we het over gaan hebben, vonden vooral in de studeerkamer, de werkplaats en het laboratorium plaats. Het waren ontdekkingen waarvoor vaak niet meer nodig was dan een microscoop, een pen, een passer en een stukje papier. Toch wordt dit zeker geen saai hoofdstuk. We gaan namelijk proberen door te dringen tot de hersenpan van de moderne mens. Wat daar in zit leer je voor een deel bij biologie: de grijze cellen. Maar het zit er ook vol met ideen: over mannen, vrouwen, kinderen, techniek, wetenschap, geld en godsdienst. Die ideen komen voor een groot deel uit de 18e eeuw. In die eeuw, de eeuw van de Verlichting, werden in Europa voor het eerst meningen verkondigd die wij nu heel vanzelfsprekend vinden. Dat alle mensen gelijke rechten moeten hebben bijvoorbeeld. Of dat iedereen recht heeft op een zo groot mogelijke vrijheid. Wij vinden het slaan van kinderen en martelen verkeerd. We geloven niet op gezag, we willen bewijzen zien. In de 18e eeuw waren deze ideen nieuw. Nieuw was ook dat mensen begonnen te geloven dat ze het gedrag van de natuur, de sterren en de mens konden leren kennen en begrijpen. Veel meer dan het gebruiken van je verstand was daar eigenlijk niet voor nodig. Voor het vertrouwen in de kennis van de mens is de wetenschappelijke revolutie van de 17e eeuw erg belangrijk geweest. Daar beginnen we dit hoofdstuk dan ook mee. In de laatste paragrafen kijken we naar wat er in de ze en 18e eeuw in Nederland gebeurde.
