De straffe hand van Coen
Vanuit Batavia regeerde Coen met straffe hand. Toen het eiland Banda, in strijd met de verdragen. toch nootmuskaat verkocht aan Chinese handelaren. strafte Coen zonder genade. De helft van de Bandanezen werd vermoord. de andere helft weggevoerd. Banda werd verdeeld in 'perken' (tuinen). die bewerkt werden door slaven uit Voor-Indi (het tegenwoordige India).
Coen was niet alleen tegen de Indiers genadeloos Op Ambon pakte hij achttien Engelse handelaren op, waarvan hij er tien liet onthoofden. Dat gin,, zelfs de Heren XVII te ver. De Republiek moe, Engeland te vriend houden als bondgenoot tegen Spanje.
Coen kon zijn macht in Indi vooral uitbreiden omdat hij gebruik maakte van de verdeeldheid tussen de vorsten die op de eilanden regeerden. Door n vorst te steunen, daagde hij de andere uit om iets te ondernemen. Voor de vuurwapens van de VOC waren de vorsten vervolgens geen Aren. Toen Coen stierf, had de VOC haar zaakjes Indi dan ook goed voor elkaar. De VOC kreeg niet alleen de handel met. maar ook de handel russen de eilanden in handen.
Nederlandse kolonin in Oost en West
De reis naar Indi was lang: meestal was je niet binnen het jaar terug. Als je al terugkwam. Want het leven aan boord was een verschrikking. Twintig tot dertig procent van de matrozen stierf op zee.
De meest gevreesde ziekte was scheurbuik, waarbij de tanden uitvielen en de nagelriemen openbarstten. De naam verwijst ook naar heftige krampen. Dat valt wel te begrijpen als je bedenkt dat de kost aan boord bestond uit ingezouten vlees, scheepsbeschuit en water. Op Sint Helena en Mauritius werd wel gebunkerd, maar dat waren kleine eilanden, die door de grote vloten al spoedig kaalgevreten waren.
Een volksplanting op Kaap de Goede Hoop De oplossing voor het probleem van de bevoorrading werd gevonden in het stichten van een nederzetting aan Kaap de Goede Hoop. Dat plan kwam van jan van Riebeeck. Hij rekende de Heren XVII voor dat zo'n verversingspost zichzelf al snel zou terugverdienen. Van Riebeeck wilde aan de Kaap namelijk een volksplanting stichten. De kolonisten moesten op contract naar Afrika. Ze zouden zich dan 'heel van Hollant affwennen ende eenemael dese plaetse haer vaderlant mogen maken'.
De kolonisatie verliep moeizaam. Om te beginnen bevonden zich onder de kolonisten vrijwel geen vrouwen. Dat maakt het stichten van een volksplanting er natuurlijk niet makkelijker op. De oplossing voor dit probleem was, in onze ogen, verbluffend eenvoudig: uit Hollandse weeshuizen werden de meisjes naar Afrika verscheept. Verder waren er strubbelingen met de Afrikaanse bevolking, de Khoikoi en de San. Die leefden als nomaden en waren gewend om mee te nemen
wat ze konden gebruiken. Het woord 'eigendom' kenden zij niet - dus ook niet het woord 'dief, stal'. Dat was wel waar de Nederlanders hen van beschuldigden. Maar de Khoikoi en de San hadden de Nederlanders per slot van rekening ook niet uitgenodigd om in Zuid-Afrika te komen wonen.
De Westindische Compagnie
De Afrikaanders (Hollandse kolonisten in Afrika) maakten een wat eigenaardige ontwikkeling door. Ze hielden vast aan de Hollandse cultuur uit de 17e eeuw en vooral aan het strenge calvinisme dat in die tijd in Holland beleden werd. Omdat Zuid-Afrika helemaal niet zo'n aantrekkelijke bestemming was, kwamen er maar mondjesmaat nieuwe immigranten. Bovendien waren dat dan vaak nog Franse en Duitse protestanten, die ook al gehecht waren aan hun godsdienstige en culturele erfgoed. Doordat er zo weinig contacten waren met het moederland, ademde de Kaap nog lange tijd een 17e-eeuwse sfeer. Op sommige plekken is dat zelfs nu nog te merken.
Ook op de westkust van Afrika waren Hollandse handelsposten. Daar had de VOC niets mee te maken. De Atlantische Oceaan was het werkgebied van de Westindische Compagnie (WIC), die in 1621 werd opgericht. De WIC hield zich vooral bezig niet kaapvaart en slavenhandel. Kaapvaart was in de 16e en 17e eeuw een vorm van oorlogvoering. Regeringen gaven zogenoemde kaperbrieven uit, waarmee een kapitein of een onder nemer zeeroof mocht plegen op schepen van tin vijand. De WIC had het vooral gemunt op de mei zilver geladen schepen van Spanje en Portugal voor de Amerikaanse kust. In 1628 lukte het Piet Hein om bij Cuba zo'n complete Zilvervloot op de Spanjaarden te veroveren. Met dat geld kon de Republiek weer een tijdje vooruit. Piet Hein was natuurlijk op slag een nationale held.
