Na 1585 zou dat snel veranderen. In dat jaar gaf Antwerpen zich over aan de Spanjaarden. Voor de Republiek der Verenigde Nederlanden was dit aanleiding om de Schelde te blokkeren. Daardoor werd de Antwerpse haven volledig lamgelegd. Handelaren uit Antwerpen kwamen nu, met hun geld, kennis en ideen over wereldhandel naar de Hollandse handelssteden. Zij wisten hoeveel er verdiend kon worden op peper, nootmuskaat en kruidnagelen. Met het vooruitzicht van flinke winsten wisten ze de rijke, maar voorzichtige Hollandse handelaren lekker te maken. Toen ging het snel. Na een dramatisch mislukte poging van Willem Barentsz om via de Noordelijke Ijszee in Indi te komen, lukte het De Houtman en Keyser in 1595 om via Kaap de Goede Hoop Indi te bereiken. Na dit eerste succesje bleek hoeveel geld er in de Lage Landen zat. De 'Compagnieen van Verre' schoten als paddestoelen uit de grond.
De opkomst van de handel op Indi vond plaats in de tijd waarin de Republiek der Verenigde Nederlanden zich net van Spanje had losgemaakt. De oorlog met Spanje was nog in volle gang. De Republiek kon het geld dat met de handel op Indi werd verdiend dus goed gebruiken. Daarom vonden de leiders van de Republiek het belangrijk om die handel goed te organiseren. Op hun initiatief werd n grote maatschappij opgericht, die de hele handel op Indi in handen zou krijgen.
Kwam de koloniale handel nu in handen van de staat, zoals in Spanje? Nee, want iedereen zou aandelen kunnen kopen van die Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). En iedereen die aandelen had, zou in de winst delen. Het grote voordeel was dat de VOC als enige handelaar in 'de Oost' zou optreden) ze hoefde niet te concurreren met andere Nederlandse handelsmaatschappijen.
De VOC, Coen en Batavia
De Republiek had de organisatie van de VOC snel voor elkaar. Uit de grote steden brachten zes Kamers (afdelingen) een kapitaal van zes miljoen gulden bij elkaar. Dat was toen wel wat meer dan tegenwoordig. Om een idee te geven: een compleet uitgeruste Oost-Indivaarder kostte honderdduizend gulden. Er waren meer dan duizend grote en kleine aandeelhouders. De ingelegde bedragen liepen uiteen van f 50,- tot f 85.000,-. De Kamers leverden niet alleen het kapitaal, maar ook de bewindvoerders, de bazen dus van de VOC. Omdat het er zeventien waren, werden ze de 'Heren XVII' genoemd.
De VOC kreeg behalve het monopolie op de handel in de Oost ook het recht om er oorlogen te voeren en verdragen te sluiten. De eerste schepen die de VOC naar Indi stuurde waren dan ook zwaar bewapend. De Republiek was immers in oorlog met Spanje en Portugal (dat in deze tijd bij
Spanje hoorde). Het was de bedoeling om de Portugezen, die al bijna honderd jaar in Indi zaten, zoveel mogelijk schade toe te brengen en op den duur helemaal uit de Oost te verdrijven. Al spoedig werd duidelijk dat dit niet eenvoudig zou zijn. In de handel werden aardige winsten geboekt, maar in de strijd tegen Portugal bleef succes lange tijd uit. Pas na 1619 lukte het Gouverneur-Generaal (= opperbevelhebber van de VOC in Azi) Jan Pieterszoon Coen om vaste voet aan de Indische grond te krijgen. De manier waarop dat gebeurde, zegt wel iets over de manier waarop de Nederlanders met de inheemse bevolking omgingen. Coen bouwde gewoon een fort, een pakhuis en een scheepswerf in het machtsgebied van de vorst van Jacatra. Toen die het fort uiteindelijk aanviel, vond Coen dat genoeg reden om heel Jacatra in de as te leggen. Op de plek waar Jastra had gestaan, stichtte Coen een nederzetting die hij Nieuw-Hoorn wilde noemen, naar zijn geboortestad. De Heren XVII veranderden die naam in Batavia.
