De handelsmaatschappijen
In Spanje en Portugal had de staat het monopolie
(-alleenrecht) op de koloniale handel. Maar in Engeland. de Republiek en Frankrijk kwam deze handel in handen van grote handelsmanschap- pijen. Deze maatschappijen gaven aandelen uit. Wie zo'n aandeel kocht was voor een deel eigenaar van de handelsmaatschappij. Als er winst
werd gemaakt. ontving de aandeelhouder daar dus ook een deel van.
De reizen naar Oost- en West-Indi waren du, en gevaarlijk. Alleen grote ondernemingen km den die risico's dragen. Maar als alles meezat, u. de winst ook erg groot. Soms verdiende je n, n reis elke geinvesteerde gulden viermaal ten,. Van deze 'winstgevende maatschappijen waren veel aandelen in omloop. Die aandelen konden ook verhandeld worden. Als het er naar uit zag dar er winst gemaakt zou worden. wilde iedereen wel aandelen kopen. De prijs schoot dan omhoog. Dreigde er verlies. dan verkocht iedereen zijn aandelen en daalde de prijs. Zo gaat het tegenwoordig nog steeds op de beurs. Wie het aandurfde om bij een dalende prijs veel aandelen te kopen, kon schatrijk worden, als het gerucht over dreigend verlies onwaar bleek. Zulke 'speculanten' waren er veel. Geen wonder dat er veel geruchten in omloop werden gebracht.
Reizen ons de wereld
Columbus dacht via het westen in Indi te komen, maar belandde in Amerika. De man die bewees dat het toch mogelijk was om in westwaartse richting de specerij-eilanden te bereiken, was Fernando Magelhaen. In 1519 voer hij met vijf schepen naar Zuid-Amerika en vond daar de doorgang van de Atlantische naar de Grote Oceaan. Die doorgang werd de straat van Magelhaen genoemd, naar de ontdekker.
De eerste reis om de wereld
Op dat moment was hij trouwens al twee van zijn
vijf schepen kwijt. En schip was vergaan, een
tweede was na een muiterij teruggekeerd naar
Spanje. Op de Grote Oceaan wachtten nieuwe be-
proevingen: honger en windstilte. Een Italiaan
aan boord schreef in zijn dagboek: 'De beschuiten
die we moesten eten, bestonden uit stof ver-
mengd met maden. Ze hadden een ondraaglijke
geur, als van muizenpis. Om niet van de honger
om te komen aten we stukken leer. Die hingen
we eerst vier tot vijf dagen in zee om te weken.
Zelfs de anders zo weerzinwekkend gevonden
ten werden voor ons een lekkernij. We betaalden graag een dukaat per rat, maar helaas waren er niet veel aan boord.'
Na verloop van tijd kwamen de schepen bij een eilandengroep die later de Filippijnen genoemd werden, naar de koning van Spanje Filips II. Op een van de eilanden ging Magelhaen aan land. Een Arabische koopman probeerde de heerser van het eiland over te halen de Spanjaarden weg te sturen. Maar de heerser wilde daar niet van weten. Hij liet zich zelfs dopen, evenals vele andere eilandbewoners. De dorpen die niet tot het christendom overgingen, werden platgebrand, de bewoners werden gedood.
Toen de Spanjaarden zich mengden in een twist tussen twee eilanden, sneuvelde ook Magelhaen zelf. Nadat een andere kapitein was gekozen werd de reis voortgezet. In november bereikte de twee overgebleven schepen de Molukken. Omdat zich aan boord een Molukker bevond, was dit de eerste mens die om de wereld had gevaren. De Spanjaarden stouwden hun schepen vol met kruidnagelen en begonnen aan de thuisreis. Een van de twee schepen werd onderweg gekaapt door de Portugezen. Zo liep op 8 september 1522 alleen de 'Victoria' binnen in de haven van Sevilla. Van de 265 man die in 1519 vertrokken waren, waren er na de wereldreis van 1082 dagen nog maar achttien in leven.
Toch was de reis winstgevend geweest zelfs aan die ene scheepslading hield de Spaanse schatkist nog enkele duizenden dukaten over.
