Met de rijken van de Maya's en de Inca's ging het niet veel anders. De hoogontwikkelde Indianenrijken met hun miljoenen inwoners waren niet bestand tegen enkele honderden Spaanse veroveraars. De Spanjaarden brachten paarden en geweren mee, 'goddelijke wapens' waartegen de Indianen geen verweer hadden. Maar de tienduizenden slachtoffers die de conquistadores bij hun militaire plundertochten maakten, waren niet meer dan het begin van de ondergang van de Indianenrijken. In Mexico bijvoorbeeld daalde tussen 1519 en 1600 het bevolkingsaantal van 25 tot 5 miljoen. Voor zo'n daling is meer nodig dan een troep wrede moordenaars. De meeste slachtoffers vielen dan ook door een 'wapen' waar de Spanjaarden zelf geen weet van hadden. Tegen ziekten die in Europa heel normaal waren, zoals de bof, pokken, verkoudheid en griep hadden de Indianen geen afweerstoffen. De Spanjaarden brachten deze ziekten 'onder de leden' mee naar Amerika. Daar richten de Europese virussen een ware slachtpartij aan.
De Spanjaarden gedroegen zich overigens niet wreder dan andere veroveraars. De Europeanen gingen overal flink tekeer. Bovendien vonden de meeste Spanjaarden zelf helemaal niet dat ze zo
wreed waren. Zij gruwden juist van de bloedige mensenoffers van de Indianen. Mensen die zoiets deden, dat waren toch eerder beesten dan mensen? Bovendien waren het geen christenen. En mensen die niet in de ware God geloofden, dat kon toch al niet veel soeps zijn.
De ontdekkingsreien en de economie
De 'ontdekking' van Amerika en de zeeroute naar Azi zorgde voor nieuwe economische activiteiten. Vooral in Europa, maar ook daarbuiten. Vr de tijd van de ontdekkingsreizen hadden de Arabieren de wereldhandel in handen. Zij kochten hun handelswaar in Azi in en verkochten deze aan Europa. Die positie raakten ze tegen het einde van dei se eeuw kwijt aan de Europeanen. Tussen Amerika, Azi en Afrika bestonden vr 1500 geen handelscontacten. De Europeanen kregen nu vrijwel alle handel met en tussen deze drie continenten in handen. Aan de vruchten van deze handel dankt Europa voor een belangrijk deel haar sterke positie in de wereld.
Inflatie, een besmettelijke ziekte
Natuurlijk had niet iedereen in Europa evenveel voordeel van de ontdekkingsreizen. Spanje, Portugal, Engeland en de Nederlanden profiteerden her meest. Voor Itali was de nieuwe handel niet gunstig. Het grote geld werd niet meer op de Middellandse Zee verdiend, maar op de oceanen. Ook een gebied als Midden-Europa ondervond daar de nadelen van: het had immers geen verbinding met zee. Nu de Westeuropese landen zoveel konden verdienen met de overzeese handel, nam de handel met Midden-Europa snel af. Het gebied verarmde.
Spanje profiteerde als eerste land van de ontdekkingsreizen. Toen duidelijk werd hoeveel zilver er in de Peruaanse bodem zat, dacht de koning van Spanje, Karel V, dat hij schatrijk was. jaren achtereen liet hij scheepsladingen vol zilver aanrukken. Voor produkten als leer, rum of tabak was geen plaats aan boord. Dat was niet zo verstandig. Door al dat zilver kwam er in Spanje namelijk veel meer zilvergeld in omloop. Maar door de
Spaanse boeren en handwerkslieden werd niet mr geproduceerd. Een logisch gevolg is dan dat het zilvergeld minder waard wordt. Als geld minder waard wordt (omdat produkten duurder worden en je er dus minder van kunt kopen) noemen we dat inflatie.
Met de onophoudelijke stroom zilvervloten die bleven binnenvaren, kon Spanje in heel Europa produkten bestellen. Daardoor sloeg de inflatie binnen de kortste keren ook toe in Frankrijk, Itali en Vlaanderen. Het was een besmettelijke ziekte.
In heel Europa stegen dus de prijzen. Dat ging zo snel dat we van een 'prijsrevolutie' spreken. Een 'loonrevolutie' kwam er natuurlijk niet. Miljoenen arbeiders en ambachtslieden in Europa verarmden. De ondernemers hadden minder last van de inflatie. De prijzen die zij voor hun produkten kregen, stegen immers sneller dan de lonen die ze aan hun arbeiders moesten betalen. In de 16e en 17e eeuw loopt de sociale piramide dus spits toe: de sociale verschillen worden groter.
