Voor weduwen en wezen (en dit waren er veel.
want men werd niet zo oud als tegenwoordig) waren er hofjes en weeshuizen. Naast die liefdadigheid bestonden er ook rasp- en spinhuizen waar bedelaars. dieven en zwervers werden opgesloten. Dat was ook de plaats waar geestelijk gehandicapten terecht kwamen. Die werden toen gewoon gekken genoemd. Soms was er voor de gekken een plaatsje in het 'dolhuys'.
Men probeerde gevangenen 'op te voeden' door ze hard te laten werken en ze het roken en vloeken te verbieden. Het publiek mocht voor een paar centen komen kijken hoe het er in het Rasphuis aan toe ging. Er waren meer gevangenissen in de Republiek dan in Engeland of Frankrijk. Daar was men wat guller met de doodstraf, met lijfstraffen en met verbanning. Overigens waren ook in de Republiek de straffen niet mals. Maar daar zat tenminste nog het idee achter dat men-
sen opgevoed konden worden door ze het goede voor te houden. En al werd dit humanistische ideaal in onze ogen misschien wat vreemd in praktijk gebracht: het bestond wel. Strenge calvinisten waren trouwens ook huiverig voor de doodstraf en lijfstraffen. In hun ogen waren alle mensen even slecht, van koopman tot landloper en van dief tot dominee. Wie had dan eigenlijk nog het recht om een ander af te ranselen?
Onderwijs
De Republiek kende geen leerplicht en geen
dienstplicht. Er waren wel scholen, maar die wa-
ren niet gratis, zoals nu. De meeste kinderen gin-
gen dus niet naar school, of maar heel kort. Of zij
daardoor veel misliepen is de vraag. De onderwij-
zer was een trouw lid van de kerk, vaak ook kos-
ter, klokkenluider en voorzanger in de kerk. Maar
hij had meestal geen opleiding gehad, en kon de
kinderen hooguit wat leren lezen en schrijven. Verder werd er veel uit het hoofd geleerd: de Tien Geboden, de Heidelberger catechismus, kerkelijke leerregels en liederen en gebeden. Voor de hogere standen waren er in de grote steden Latijnse scholen. Daar kon je je voorbereiden op een studie aan de universiteit. De oudste universiteit (1575) stond in Leiden. Daar werden juristen en dominees opgeleid en later ook artsen.
Schrobben en bomen
Het leven in de Republiek speelde zich niet af op straat. Daar was het hier, ook in de 17e eeuw, veel te koud voor. Maar dat was nog geen reden om de straat niet goed schoon te houden. Er werd geschrobd en geboend dat her een lieve lust was. Vooral in en om het huis. De Republiek had geen koning met een hofhouding. Blinkende blauwstenen stoepen en ramen die glommen als diamanten: dat waren de burgermanspaleizen van de Republiek. Spuwen was verboden en de hond uitlaten op de openbare weg zonder de derrie op te ruimen, dat was al helemaal ondenkbaar.
In het Hollandse huishouden lagen zoveel taken te wachten, dat we de huisvrouw wel bijna een Nederlandse uitvinding mogen noemen. In de hogere standen deed men al dat poetswerk natuurlijk niet alleen. Daar had men personeel voor een 'mens' voor het schrobben en boenen en een meisje voor het linnengoed. Maar huisvrouwen waren niet automatisch huissloven. In Leiden stond in 1742 een kwart van de winkels op naam van een vrouw. Weduwen zetten vaak de zaak van hun man voort; zo zijn bedrijven als Van Nelle en Douwe Egberts groot geworden.
