De macht van Holland
Maar dat was de theorie. In praktijk was het een stuk eenvoudiger. Het gewest Holland had het meeste geld en daardoor ook de meeste macht. De
voorzitter van de Gewestelijke Staten van Hol-
land, de raadpensionaris, en de stadhouder van
Holland waren de machtigste mannen in de Re-
publiek. De stadhouder van Holland was trouwens ook stadhouder van Zeeland, Utrecht. Gelre
en Overijssel. Dat maakte de politiek al een stuk overzichtelijker, Bovendien was de stadhouder van Holland ook de aanvoerder van het leger van de Republiek, de kapitein-generaal. Deze inrichting van het bestuur zou tot 1795 blijven bestaan. In die twee eeuwen draaide het meestal om Holland. de stadhouder en de raadpensionaris.
Wat in de Nederlanden was gebeurd, kon dat nu allemaal zo maar? Een koning afzweren, een
nieuwe staat uitroepen, daar kijken wij niet meer vreemd van op: in deze eeuw zijn bijna evenveel
koningen en keizers verdwenen als in alle voorgaande eeuwen samen. Maar toen? De enige kerkhervormer die vond dat dit inderdaad mocht was Calvijn. De calvinisten hadden veel invloed in de Republiek der Verenigde Nederlanden. Hoewel ze maar een minderheid van de bevolking vormden, hadden ze in de Opstand een belangrijke rol gespeeld.
Calvijn vond dat de hoogste macht, de soevereiniteit, van de koning afgenomen mocht worden als die niet goed voor zijn onderdanen zorgde. Dat betekende niet dat de burgers die dar deden dan de hoogste macht hadden. Want volgens Calvijn kwam alle macht van God. De burgers moesten die soevereiniteit aan een nieuwe heer geven: in dit geval aan de stadhouder.
Beeld van een samenleving
De kooplieden hadden veel macht in de Republiek: uit de top van deze klasse kwamen de regenten (-bestuurders). Geld alleen was niet genoeg om tot deze groep door te dringen. De regenten kwamen uit een kleine groep families, die generaties lang de macht in handen hield. Huwelijken en het familiespel waren voor hen net zo belangrijk als voor de adel in de middeleeuwen. je zou deze groep ook kunnen vergelijken met het patriciaat in het oude Rome.
Onder de regentenklasse stond de 'gewone' burgerij, die her redelijk goed had. In de Nederlan-
den ging het ook de vissers en boeren niet slecht, terwijl de arbeiders het nog altijd beter hadden dan de arbeiders in omringende landen.
Armoede
In het dagelijks leven, dus niet bij huwelijken of andere officile gelegenheden, speelden standsverschillen niet zo'n grote rol als in omringende landen. Was er dan geen armoede? Natuurlijk, en niet zo'n beetje ook. Als er even geen werk was, vervielen veel sjouwers, zeelieden en ambachtslieden al snel weer tot armoede. Armoede betekende niet zomaar een beetje krap zitten. In veel gevallen betekende het dat je nooit meer aan het werk kwam, je huis kwijtraakte en moest gaan leven van de bedeling, prostitutie of misdaad
