De Nederlandse Opstand
Onder het bestuur van Karel V groeide de ontevredenheid in de Nederlanden. Karel trad streng op regen ketters en tijdens zijn lange bewind 1515- 1555) werden de belastingen drie maal zo hoog. Hij voerde niet alleen oorlogen tegen de protestantse vorsten in het Duitse rijk, maar ook tegen Frankrijk en tegen de Turken in Hongarije en het Middellandse-Zeegebied. Voor het bekostigen van al die oorlogen kon hij dus wel wat geld gebruiken. En omdat het de Nederlanden economisch voor de wind ging, was daar geld te halen
Filips II en Margaretha van Parma
In 1555 erfde de zoon van Karel, Filips II, Spanje en de Nederlanden. Hij was ren gelovig mens, opgevoed in de geest van de Contrareformatie. Hij wilde in zijn landen een trouwt dienaar zijn van de kerk van Rome. De Nederlanden bekeek hij daarom met weerzin. Onbestuurbaar n ketters waren die gewesten. Voor de ontevredenheid die bij de edelen en de burgers leefde, kon hij weinig begrip opbrengen.
Wie Filips' levensloop volgt, weet dat hij in de Nederlanden niet de leukste jaren van zijn leven (1548-1559) doorbracht. Tijdens die jaren zag hij dat zijn vader het verkeerd aanpakte: veel te slap. Maar de Nederlanden waren vrijheid gewend. Dat moest dus wel mis lopen.
Filips vertrok in 1559 zelf naar Spanje, en stelde zijn halfzuster Margaretha van Parma aan als landvoogdes. Zij moest die lastige gewesten in zijn naam gaan besturen. Dat deed ze niet alleen: Filips wees haar adviseurs aan. Daar waren de edelen in de Nederlanden niet gelukkig mee, want onder de hertogen van Bourgondi en onder Karel V waren zij altijd de adviseurs van de vorst geweest. Hoge edelen werden zelfs opgenomen in de ridderorde van hit Gulden Vlies. Ze stonden dan als ridders op gelijke voet met de vorst. Ze werden aangesteld als stadhouder (= plaatsvervanger) van de vorst in een van de zeventien gewesten. Onder Karel V genoten stadhouders dus nog veel vrijheid en vertrouwen. Margaretha behandelde de edelen niet als gelijken, maar als personeel. Dat deed pijn. De adviseurs van Margaretha. bekwame bestuurders, raadden haar aan streng op te treden, vooral tegen ketters. De Inquisitie, de kerkelijke rechtbank, mocht op bevel van Filips zelfs de pijnbank gebruiken in de Nederlanden. Dat zette veel kwaad bloed. De burgerij vond het afschuwelijk, maar ook de lagere edelen vonden dat dit te ver ging. Lagere edelen speelden een grote rol bij de rechtspraak in de gewesten.
Daardoor waren zij gedwongen om aan de ketter-vervolging mee te werken. Zij vonden echter dat afwijkende godsdienstige meningen hier nu eenmaal voorkwamen; zo lang niemand daar last van had moest een lutheraan of een calvinist gewoon met rust gelaten worden.
De Opstand begint
In 1566 bleek hoe groot de ontevredenheid was. Lage edelen boden de landvoogdes een smeekschrift aan. Daarin vroegen ze om matiging van de kettervervolging. Dat had weinig succes; een adviseur van Margaretha noemde hen spottend 'gueux' - dat is Frans voor bedelaars, schooiers. Later zou de Nederlandse variant hierop, 'geuzen', een heldennaam worden.
In de zomer van dat jaar werden 'hagepreken' gehouden, protestantse kerkdiensten in de open lucht. Die pagepreken zorgden ervoor dat de populariteit van het calvinisme in de Nederlanden enorm toenam.
In de nazomer spoelde een golf van geweld over de Nederlanden, van zuid naar noord. Kloosters en kerken werden door groepjes calvinisten vernield en leeggehaald. Dit noemen we de beeldenstorm. Toen Filips van deze beeldenstorm hoorde, was hij woedend. Hij stelde niet zijn zuster of haar adviseurs verantwoordelijk, maar vooral de edelen die hoge functies bekleedden. Hij stuurde zijn beste legeraanvoerder, de hertog van Alva, met 15000 man naar de Nederlanden om de rust te herstellen.
