Papiergeld
Toch bleef reizen mei geld op zak een gevaarlijke onderneming, een risico dat men liever niet wilde lopen. Veiliger was het om je geld in bewaring te geven bij een bankier. Die gaf daar dan een bewijs van ontvangst voor, een kwitantie. Gaandeweg gingen handelaren deze bewijzen gebruiken als een soort geld. papiergeld. Een bankier bulkte van het geld, al was dat niet van hemzelf. Zou hij het kunnen uitlenen? Aan de ene kant was dat niet zo zinvol. De kerk verbood namelijk het vragen van rente. Aan de andere kant kon hij het geld, of een deel ervan. in een schip investeren, of in een partij goederen.. Als die met een mooie winst verkocht werden, werd niemand daar slechter van. Mensen kregen kortom in de gaten dat er geld verdiend kon worden... met geld. Niet alleen door de bankiers, maar ook door hun klanten. Die wisten dat hun geld gebruikt werd om geld te verdienen. Logisch dus dat zij ook een deel van de opbrengst wilden. Want het was en bleef hun veld
Boekhouden en verzekeren
Rekenen werd belangrijk voor een zakenman. Niet alleen optellen en aftrekken, maar ook het berekenen van procenten en van de kans op schade en schipbreuk. Heel nuttig voor die berekeningen was de uitvinding van de boekhouding. Door de kosten en opbrengsten in verschillende kolommen onder te brengen, werd duidelijk wat men nu eigenlijk verdiend had. Kooplieden en handelaren leefden niet langer van de hand in de tand. Ze gingen steeds bewuster om met hun zaak. die vooral winstgevend moest zijn. Schulden waren dan niet zo erg; als er maar inkomsten tegenover stonden.
Handelaren en kooplieden durfden ook steeds meer risico's te nemen. Dat kwam doordat er nu verzekeraars waren. Die berekenden de kans op schade of schipbreuk; tegen betaling van een premie verzekerden zij dan de reis of de goederen tegen schade of verlies.
Aan het einde van de 16e eeuw hoefde een grote handelaar niet meer van huis. Hij had kooplieden en agenten in dienst. Agenten zorgden, tegen betaling uiteraard, in alle grote handelssteden van Europa voor zijn zaken.
De Nederlanden in Europa
In de tijd van de Romeinen en in de vroege middeleeuwen waren de Nederlanden een uithoek van Europa. In het koude en drassige landschap kon zelfs de adel zich amper warm houden - al moet gezegd dat het vrijwel onmogelijk was om een kasteel fatsoenlijk te verwarmen. Brabant en Vlaanderen hoorden nog min of meer bij de beschaafde wereld, maar boven de grote rivieren, daar was het niet pluis.
De bloei van handelen steden
Na 1200 kwam daar vrij snel verandering in. Aan
de oostkust van de Zuiderzee bloeiden een paar behoorlijke handelssteden op. Langs de IJssel kwamen Kampen, Deventer en Zutphen tot bloei. En ook in Brabant en Vlaanderen deden de steden goede zaken. Dat kwam vooral doordat na de Kruistochten de handel opleefde. De bevolking van Noordwest-Europa groeide flink, vooral in steden als Gent, Brugge, Antwerpen, Keulen en Rouaan. Daar zaten de klanten van Hollandse en Zeeuwse handelaren. Die handelaren verkochten de meest uiteenlopende produkten: ijzer, linnen, zout, teer, touw, bier, Rijnwijn, dakpannen, bakstenen en vooral kaas, boter en vis. Holland en Zeeland zijn rijk geworden van kaas, boter en vis. Het waren dus geen kostbare of zeldzame produkten waarmee handel gedreven werd. Het lijken zelfs produkten die iedereen overal en zonder moeite kan maken. Dat was niet zo, tenminste, niet in grote hoeveelheden. Natuurlijk, melkkoeien en vissen kom je overal tegen. Maar voor de verwerking van die produkten waren Holland en Zeeland nu juist uitermate geschikt. De afstanden waren er klein. Een boer kon zijn boter en kaas altijd kwijt aan een handelaar of een schipper in een dichtbijgelegen stadje. Die vervoerden het naar de grotere steden in de buurt. Dat kon allemaal snel gebeuren, want er waren veel waterwegen. Boeren werkten hier al heel vroeg voor de markt - dus niet alleen voor zichzelf of voor de landsheer.
