De kerk verliest aan gezag
In de middeleeuwen vond iedereen de machtspositie van de kerk heel vanzelfsprekend. Mensen als Luther en Calvijn beweerden het tegendeel. Luther vond dat de kerk het best onder het gezag van de staat kon staan. Calvijn vond zelfs dat de leden van de kerk het voor het zeggen moesten krijgen. De paus, de bisschoppen en priesters waren overbodig, ja zelfs schadelijk voor het ware geloof Die opvatting sprak vooral de burgerij wel aan.
De machtspositie van de kerk was niet alleen minder vanzelfsprekend geworden omdat Luther en Calvijn dat vonden. In de i se en 16e eeuw was er veel veranderd in de samenleving. De kerk had rond 1500 al aan betekenis voor de samenleving verloren. In de middeleeuwen zorgde de kerk voor ziekenverpleging en onderwijs. Geestelijken adviseerden koningen en hertogen. Dit soort taken werd steeds vaker overgenomen door stadsbesturen en door vaklieden; juristen bijvoorbeeld, of chirurgijns. Met het verlies van dit soort taken verloor de kerk ook aan gezag en macht.
Protestanten
Niet alleen burgers, ook edelen kozen de kant van Luther en Calvijn. In Frankrijk en in het Duitse rijk was dat tegen de zin van de koning en de keizer; die stonden aan de kant van de paus en de katholieke kerk. Voor de edelen was du dan ook een manier om zich te verzetten tegen de groeiende macht van hun heer. Bovendien werden ze er materieel vaak beter van. De Duitse vorsten die Luther steunden, pikten alle kerkelijke bezittingen in en plaatsten zichzelf aan het hoofd van de kerk. Er was zelfs een bisschop die zijn bisdom omtoverde tot hertogdom. Lutheraanse vorsten werden zo een belangrijke groep in het Duitse rijk. Onder de naam protestanten sloten alle Lutheraanse vorsten zich aaneen.
Contrareformatie de kerk slaat terug
De kerk trad hard op tegen lutheranen en calvinisten. Ze werden als kevers veroordeeld. Iedereen die meningen verkondigde die in strijd waren met die van de kerk, was een ketter. Al vanaf de te eeuw maakte de kerk veel werk van het vervolgen van ketters. Er was zelfs een kerkelijke rechtbank. de Inquisitie, belast met het opsporen en veroordelen van ketters. Die hoefde in de 16e eeuw niet stil te zitten. De keizer van het Duitse rijk, Karel V, voerde tussen 1526 en 1555 bijna onafgebroken oorlog tegen de protestantse vorsten. Met weinig succes, want het noorden van het Duitse rijk bleef protestants. Ook in Frankrijk hadden de protestanten uiteindelijk succes. In het Edict van Nantes (1598) kregen ze zelfs vrijheid van godsdienst. Daardoor werd Frankrijk een land waar twee verschillende godsdiensten naast elkaar konden bestaan. Engeland en de Nederlanden werden de twee meest uitgesproken protestantse landen van Europa.
De kerk belooft beterschap
In Rome besefte de paus dat met oorlogvoeren en
kettervervolging alleen, het oprukkend prote-
stantisme nooit een halt kon warden toegeroe-
pen. Vanaf 1510 werd daarom hard gewerkt aan
het bestrijden van de wantoestanden in de kerk
zelf Aan de verkoop van ambten werd een einde
gemaakt, de priesteropleiding werd verbeterd en
de tucht werd strenger. Maar ook de argumenten
van de kerk moesten beter worden. De kerk had
tegen de kritiek van Erasmus, Luther en Calvijn
maar weinig verweer gehad. De Spaanse edelman
Ignatius van Loyola wilde daar verandering in
brengen. Hij stichtte een orde die zich de 'Soci-
teit van jezus' noemde. Deze 'jezueten' vormden
een broederschap van priesters. die vooral geleer-
den moest afleveren. Het liefst geleerden van het
niveau van Luther en Calvijn, die zich zouden
inzetten voor onderwijs in het ware, katholiek. geloof
De reactie van de kerk van Rome tegen de leer van Luther, Calvijn en andere hervormers noemen we de Contrareformatie (tegenhervorming).
De commercile revolutie
Al vanaf de Kruistochten (1100-1250) was de han-
del belangrijk geworden in Europa. Tussen 1400 en i600 gingen de veranderingen op het terrein, van de handel zo snel dat we spreken van een revolutie:
de commerciele (commercie betekent) hanel) revolutie. Nu denken we bij een revolutie vaak aan heel ingewikkelde oorzaken. Bij de commercile revolutie valt dat reuze mee. De oorzaken zijn vrij simpel, maar de gevolgen waren enorm.
Naar een klinkende munt
Bij handel gaat het om ruil van goederen tegen goederen. Dat noemen we 'handel in natura'. Geld is een handig ruilmiddel. Omdat geld zo handig was, kwam het steeds meer in gebruik. Om te beginnen muntgeld. Munten werden (gemaakt van de edele metalen goud en zilver, of van koper. Elke vorst sloeg zijn eigen muntgeld, of hij verkocht het recht om munten te slaan aan een stad. Met muntgeld werd echter geweldig veel geknoeid. Een schep zand door de muntspijs (gesmolten goud of zilver) was zijn gewicht in goud of zilver waard. Twee Italiaanse steden, Florence en Veneti, waren de eerste die een betrouwbare munt sloegen) de florijn en de ducaat. Het gewicht en het gehalte aan goud van deze munten stonden precies vast. Uiteindelijk werd zo'n 'klinkende munt' een betrouwbaar bezit. Daardoor werd geld steeds belangrijker in het handelsverkeer.
