De mens staat centraal
Ook op andere terreinen veranderde rond 1500
veel. Schrijvers kozen nieuwe onderwerpen voor
hun verhalen en toneelstukken. Giovanni Boccat-
cio en William Shakespeare beschreven de mens
niet zoals die zich hoorde te gedragen, maar zoals
die was. De mensheid bestond nu eenmaal uit
goedgelovige domoren en handige bedriegers.
Waarom zouden die dan nier in boeken voorko-
men? Daar zit een groot verschil met de denkwe-
reId van de middeleeuwen. Toen wilde men vooral het goede voorbeeld laten zien: sober levende heiligen. dappere ridders, kuise jonkvrouwen. De werkelijkheid zag er natuurlijk iets anders uit.
In de Renaissance begon de jacht op het leven: op het doek, in marmer, in boeken. In de 15e eeuw werden heiligen afgebeeld als mensen van vlees en bloed, niet meer als halve engelen. Niccol Machiavelli beschreef de vorsten niet als vaderlijke bestuurders, maar als leugenachtige samenzweerders en praatjesmakende stroopsmeerders. Zijn boek was geen middeleeuwse handleiding om in de hemel te komen, maar een gebruiksaanwijzing voor de vorst die macht wilde vergaren en behouden.
Veranderingen in het dagelijks leven
In de Renaissance veranderde er niet alleen veel in de kunst en de wetenschap. De burgerij in de steden was een belangrijke klasse geworden. Dat kon je bijvoorbeeld zien aan veranderingen in de levensstijl. De kleding werd uitbundiger, er kwamen nieuwe stoffen op de markt zoals katoen, zijde en fluweel. In de keuken, ook in die van de gewone burgers, werd na 1500 veel meer aandacht aan lekker eten besteed. De maaltijd werd een diner, met voorgerechten en desserts. 'Veel' maakte plaats voor 'lekker'. De handelscontacten met andere delen van de wereld brachten afwisseling in het menu. Het leven was er om geleefd te wo, den, om ervan te genieten. Het liefst wel in stijl; zo kwam er gereedschap om het eten naar binnen re werken, het bestek.
In het dagelijks werk werd techniek steeds belangrijker. De ambachtsman die volgens de traditie werkte kreeg na 1400 steeds vaker te maken met grote veranderingen.
Humanisme en Reformatie
In de middeleeuwen waren boeken schaars. Geen wonder, ze moesten met de hand worden overgeschreven. Dat gebeurde in kloosters. Rond 1450 vond Johannes Gutenberg uit het Duitse Mainz de kunst uit van het drukken met losse, gegoten metalen letters. De uitvinding van de boekdrukkunst veranderde de wereld. Doordat er veel meer boeken gemaakt konden worden, ontstond er een lezend publiek. Steeds meer mensen wilden leren lezen. Voor hen ging er een wereld open, want uitgevers gaven niet alleen mr, maar ook andere boeken uit dan kloosters. Boeken bijvoorbeeld waarin meningen verkondigd werden die in strijd waren met de opvattingen van de kerk.
Desidenus Erasmus
Ook in kringen van geleerden was de belangstel- ling voor de cultuur van de oudheid gegroeid. Met het klassieke voorbeeld voor ogen ontwik- kolden deze geleerden allerlei nieuwe ideeen het gebied van opvoeding, onderwijs, weter schap, literatuur en politiek. De belangstelling voor de klassieke cultuur en die nieuwe den! beelden worden samen humanisme genoemd. b. als de Renaissance vond het humanisme zijn oor- sprong in Itali.
Buiten Itali kregen de humanisten ook h, nieuwdo belangstelling voor de Bijbel en de br, ken van de kerkvaderen. De Bijbel werd door II, niet alleen als het woord van God gezien. Ti ook als een boek dat door mensen was geschre- ven. Een boek dus dat vergeleken kon wordt, met andere boeken; en omdat her in een bepaalde tijd was geschreven, moest het vooral met boeken uit die tijd vergeleken worden. Een van de geleerden die daar een leven lang aan werkte was Desiderius Erasmus. Hij wilde de originele teksten van de Bijbel bestuderen. Zo kon je beter achter de oorspronkelijke betekenis van de bijbelverhalen komen. Erasmus hoopte dat gelovigen daar dan geen ruzie meer over zouden maken. Hij was er ook voor om de Bijbel in de volkstaal te vertalen. Dat moest natuurlijk wel zorgvuldig gebeuren, maar zijn ideaal was dat '...alle vrouwtjes het Evangelie en de brieven van Paulus kunnen lezen, dat de landman uit de Bijbel zingt bij de ploeg, dat de wever wijsjes zingt bij zijn getouw en dat reizigers de weg bekorten met gesprekken over de Bijbel...'
Erasmus was er dus niet voor dat gelovigen zonder meer moesten geloven in wat priesters en bisschoppen hen vertelden. Ze moesten zelf maar lezen wat in de Bijbel gezegd werd. De kerk bekeek dit alles met wantrouwen. Voor haar was de Bijbel een heilig boek, dat je dus niet mocht veranderen.
