De derde stand: boeren
Samen met de burgerij hoorden de boeren bij de derde stand. Een minderheid van rijke boeren had veel eigen land. Deze 'hereboeren' hadden veel geld. een mooie hofstede, knechten en meiden, een flinke veestapel en bouwland. Voor honger hoefden deze boeren niet te vrezen.
Dat was anders voor de grootste groep. die van de keuterboeren. Meestal pachtten zij hun land van een landsheer en vaak waren zij nog horig. Horige boeren waren weinig meer dan her bezit van de landsheer. Die heer had veel rechten, hij mocht bij het jagen dwars door de akkertjes van de horigen stuiven. en kon hen allerlei karweitjes laten opknappen. De horige boeren hadden vooral veel plichten: ze moesten een deel van hun oogst aan de heer afstaan en een deel van het jaar op zijn land werken. Kortom, voor deze boeren was er sinds de middeleeuwen weinig veranderd. In tijden van voorspoed konden zij het hoofd net boven water houden, maar een misoogst of een veeziekte kon hen ruineren
Roeren die hun land in de directe omgeving van grotere steden hadden, waren vaak vrij en welvarend Zij konden naar de markt trekken en daar hun vee aan de slagers verkopen. Eieren, kazen, pluimvee, groenten en fruit konden ze altijd wel aan de burgerij slijten. Geen wonder dat het de boeren in Holland en in het zuiden van Engeland voor de wind ging. Op het platteland :n Duitsland, Bohemen of Frankrijk lagen de meeste dorpen op vele dagreizen van een stad verwijderd. Geld kwam er in dit soort dorpen niet aan te pas. Tot in onze eeuw was ruilhandel daar heel normaal. Als de oogst mislukte of een veeziekte uit- brak, was het leed niet te overzien, want reserves waren er niet. In deze streken pachtten de boeren van het soort landheer dat eenmaal per jaar kwam kijken hoe de zaken er bij stonden. Wie de pacht niet kon opbrengen werd van zijn land gezet en uit de dorpsgemeenschap gestoten. Er zat dan
niet veel anders op dan om als dagloner te gaan werken. In de oogsttijd was dat niet zo'n probleem, want dan was er meestal volop werk. Maar het najaar en de winter brachten vaak honger, armoede en dakloosheid. Rondtrekkende landarbeidersfamilies waren een normaal verschijnsel. Veel mannen en zonen werden geronseld voor leger en vloot. Dat bood tenminste nog vastigheid.
De koning
Wie aan een middeleeuwse koning denkt, ziet hem voor zich in een purperen mantel, afgezet met hermelijn, kroon op het hoofd, scepter in de hand: het toonbeeld van macht. Toch waren koningen in de middeleeuwen helemaal niet zo machtig. Een koning in de middeleeuwen was niet meer dan een machtige edelman - en er waren heel wat graven, hertogen en bisschoppen die zich even machtig voelden als hij. De koning en de koningin werden wel met eerbied behandeld. In naam regeerden zij immers over het land. In werkelijkheid was dat wel anders.
De koning van Engeland bijvoorbeeld had het hele westen van Frankrijk in leen van de Franse koning. Omdat hij zo'n machtige leenman was, beschouwde hij dat gebied eigenlijk als zijn eigendom. Daarom begon hij een oorlog tegen zijn leenheer - de Franse koning dus. Die oorlog noemen we de Honderdjarige Oorlog. De koningen van Engeland hadden in die oorlog veel succes. Er brak zelfs een moment aan waarop de Franse koning niets meer te zeggen had in eigen land. De hoofdstad Parijs was in handen van de Engelsen. De troonopvolger, Karel VII had alleen het zuiden van Frankrijk in handen; maar zelfs daar werd hij nog door de Engelsen belegerd, in de stad Orlans.
Op dat moment verscheen Jeanne d'Arc op het toneel. Jeanne d'Arc was een boerenmeisje dat een visioen kreeg en van huis wegliep om de kroonprins te hulp te komen. Zij werd de aanvoerder van een geestdriftig leger en verjoeg daarmee de Engelsen voor de muren van Orlans. Ze begeleidde de kroonprins naar Reims, waar hij tot koning gekroond werd.
