De standenmaatschappij
In onze maatschappij zijn alle mensen voor de wet gelijk. Dat zijn we zo gewend. Maar vijfhonderd jaar geleden zou men dat maar knap vreemd gevonden hebben. Natuurlijk kreeg een edelman die een horige afranselde geen straf en een zwerver die ren brood pikte wel. Ongelijkheid werd geaccepteerd als iets vanzelfsprekends( er waren nu eenmaal rangen en standen, heren en knechten. We noemen zo'n samenleving een standen-maatschappij. De standen waren ontstaan in de middeleeuwen. Rond het einde van de middeleeuwen (circa 1500 veranderde er veel in Europa,
maar de standsverschillen zouden nog honderden jaren blijven bestaan.
De standenmaatschappij ziet er op het eerste gezicht bedrieglijk eenvoudig uit. De eerste stand werd gevormd door de geestelijken, de tweede stand door de edelen. Wie niet thuishoorde in de eerste of tweede stand, hoorde automatisch bij de derde stand, die van de burgers en de boeren. De sociale piramide laat zien dat het in werkelijkheid toch iets minder eenvoudig was. Links zie je inderdaad de drie standen. Rechts staat een fijnere verdeling: een verdeling in klassen. Klassenverschillen hebben vooral met rijkdom te maken, standsverschillen met afkomst. De verschillen binnen de derde stand zijn opvallend. Maar ook de geestelijkheid en de adel vormden, binnen hun eigen stand, geen eenheid.
De eerste stand: geestelijken
Geestelijken mochten niet trouwen en hadden dus geen kinderen. Daarom waren zij altijd afkomstig uit de tweede en de derde stand: de adel en de burgerij. De hoge geestelijke ambten, zoals bisschop, deken en abt, werden door edelen bekleed. Lagere geestelijken, zoals pastoors, priesters, monniken en nonnen, waren uit de burgerij en de boerenstand afkomstig. Deze geestelijken hoorden wel bij de eerste stand, maar macht of aanzien hadden ze nauwelijks.
Geestelijken stonden niet onder het gezag van de koning, maar onder dat van de bisschop. De bisschop stond op zijn beurt weer onder het gezag van de paus. De eerste stand had ook eigen rechtbanken en ren aparte rechtspraak.
De tweede stand: edelen
Edelen waren trots op hun naam kasteel, hun indrukwekkende stamboom en hun vrije leventje. De adel verschilde heel duidelijk van de burgerij. Dat kon je merken aan de kleding en aan de manier van leven. Kastelen, een stoet paarden, toernooien, heldendaden verrichten, een soort hofhouding, dat was zelfs voor de rijkste burgers niet weggelegd. Of toch wel?
Tussen 1350 en 1750 veranderde de samenstelling van de adel ingrijpend. Dat kun je goed zien als je rond 1750 de stambomen onder de loep zou nemen. Tien procent van alle markiezen, baronnen en graven heeft een stamboom met wortels in de middeleeuwen. Alle andere families, vaak met prachtige wapens en fraaie kastelen, blijken pas ni 1500 in de adelstand te zijn verheven. Het waren omhooggeklommen burgers. Hoe kan dat? Allereerst weten we dat de middeleeuwse adel vechtend ten onder is gegaan. Tussen i350 en I650 werden in Europa vele oorlogen uitgevochten: de Honderdjarige Oorlog in Frankrijk, de Rozenoorlogen in Engeland, godsdienstoorlogen in Frankrijk en in het Duitse rijk. Het waren de laatste oorlogen waarin edelen met hun betrekkelijk kleine legertje, nog iets konden betekenen. Door die oorlogen werd de middeleeuwse adel flink uitgedund. Tegelijkertijd werden steeds meer burgers tot de adelstand verheven. De koning gaf steeds vaker ambten aan de zonen van rijke burgers. Vaak hadden die zonen gestudeerd en deden zij hun werk goed - wat van de adel niet altijd gezegd kon worden. Bovendien waren hun vaders trouwe onderdanen, die regelmatig belasting betaalden. Ze kenden koningen ook veel geld om het bestuur en het leger te vernieuwen. Zo was de ene dienst de andere waard. De burgers namen dit soort posten natuurlijk niet aan voor het geld, dat hadden ze zelf genoeg. Het ging ze vooral om aanzien, status. De koning kon ze uiteindelijk zelfs in de adelstand verheffen.

De derde stand: burgers
Burgers zijn stedelingen. De rijkste burgers,
meestal kooplieden, reders en bankiers,
den veel geld. Zij investeerden in schepen
huizen, en leenden geld om dat aan anderen uit te kunnen lenen. Het geld dat zij verdienden verdween natuurlijk niet in een oude sok; dat staken ze in nieuwe activiteiten. Zo zorgden zij voor economische activiteit waar andere stedelingen weer van konden profiteren. Steden waren economisch veel belangrijker geworden dan kloosters of kastelen.
Natuurlijk hadden niet alle burgers een grote zaak of een bank. De meesten hoorden bij de middengroep van ambtenaren, geleerden, kleine kooplieden, winkeliers, artsen en advocaten. Deze burgers waren niet arm, maar een vermogen of veel invloed hadden ze ook niet. Een rijk bezit was wel hun kennis, want zij lazen en studeerden veel. In de grotere steden in Europa behoorden meestal vrij veel mensen tot deze middengroep. Zij beschouwden zichzelf als de ruggegraat van de samenleving. In kleinere steden vormde deze groep de elite. Het verschil met de lagere groepen was groot. Ambachtslieden, arbeiders, klerken, knechten, soldaten, zeelieden, marktvrouwen, naaisters, dienstboden en marskramers vormden een aparte groep binnen de burgerij. Zij hadden op hun beurt weer weinig op met de laagste groep, die van de bedelaars, gekken, misdadigers en landlopers.
